Mijn voorlopige repliek tegen de repliek van Faek Mustafa

Opmerkingen t.a.v. Voorgeschiedenis

 

  1. Dankbaar stelt in punt 4 en 5 over het verbeuren van dwangsommen tekst en uitleg gevraagd te hebben maar die nooit gekregen te hebben. Hij stelt dat hem pas in het kort geding van 4 november jl. bleek waar het om ging.

 

Ad 1: Hetgeen Dankbaar stelt is juist. Bij herhaling is de raadsman van Mustafa gevraagd hoe en waarmee Dankbaar het vonnis zou hebben overtreden. Ter staving dient onderstaande email. Op dergelijke emails is de raadsman van Mustafa antwoorden of uitleg schuldig gebleven. Opgemerkt dient ook te worden dat de raadsman ook geen email bijsluit waaruit blijkt dat hij wel antwoord heeft gegeven.

 

Van: Thijs Stapel <stapel@stapeladvocatuur.nl>

Datum: 22 november 2018 om 16:15:15 CET

Aan: “mr. M.J. Hoogendoorn || Moszkowicz Advocaten Utrecht” <hoogendoorn@moszkowicz-law.nl>

Onderwerp: Antw.: Mustafa/Dankbaar

Geachte confrère,

 Op mijn advies heeft cliënt het door u bedoelde artikel voorlopig onzichtbaar gemaakt. Hij ziet overigens niet in hoe het artikel in strijd kan zijn met het vonnis. Net zoals hij betwist dat uw aanzegging van verbeurde dwangsommen voor het in uw visie niet lang genoeg laten staan van de rectificatie enige grondslag heeft.  Kunt u aangeven op welke zinsnede(n) u doelt?

Het artikel doet uit de doeken dat Mustafa naar overtuiging van Dankbaar een valse aangifte heeft gedaan  en meinedige verklaringen heeft afgelegd tijdens de zitting van 25 april jl. Dit staat hem vrij. Dankbaar heeft van deze feiten ook aangifte gedaan, die tot op heden niet tot een beslissing van het OM heeft geleid, zoals ook de aangifte van Mustafa tot op heden nog niet tot vervolging heeft geleid. Naar de mening van Dankbaar is een vonnis op basis van een valse aanklacht en meinedige verklaringen sowieso ongeldig, maar toch houdt hij zich voorlopig aan het vonnis, dat hij in een bodemprocedure wenst te bestrijden. Cliënt brengt in herinnering dat het vonnis slechts een voorlopige voorziening is, in het kader waarvan Mustafa een voorschot op schadevergoeding kreeg toegewezen in anticipatie op een door u namens Mustafa te entameren civiele procedure. Het bevreemdt cliënt dat u deze procedure nog heeft gestart, tenzij u de slagingskansen daarvoor inmiddels gering acht.

 Overigens begreep cliënt van de heer Mauritz dat u op de hoogte bent van het feit dat Mustafa inmiddels een verklaring  heeft afgelegd die haaks staat op zijn verklaringen tijdens de zitting van 25 april jl. Ook zou u bekend zijn met het feit dat deze verklaring onderdeel zou uitmaken van een komende televisie-uitzending, welke u via een kort geding zou willen voorkomen. Ik heb uw kantoorgenoot Y. Moszkowicz namens cliënt reeds gevraagd of deze informatie juist is, waarop geen duidelijk antwoord is gekomen. In het licht van uw huidige bezwaar lijkt het meer dan opportuun dat u of uw kantoorgenoot thans wél een duidelijk antwoord geeft op die vraag.

Met vriendelijke groet,

Thijs Stapel

Van: Wim Dankbaar [mailto:dank@xs4all.nl]

Verzonden: zaterdag 2 februari 2019 09:08

Aan: moszkowicz@moszkowicz-law.nl

CC: Thijs Stapel (stapel@stapeladvocatuur.nl)

Onderwerp: RE: Exploot Mustafa

 

Heer Moszkowicz,

Gaat u hier nog op antwoorden?

Met groet,

W.J. Dankbaar

 

Van: Wim Dankbaar [mailto:dank@xs4all.nl]

Verzonden: vrijdag 25 januari 2019 10:08

Aan: moszkowicz@moszkowicz-law.nl

CC: Thijs Stapel (stapel@stapeladvocatuur.nl)

Onderwerp: Exploot Mustafa

Heer Moszkowicz,

Ik ontving uw exploot betreffende Mustafa. In dit exploot staat niet aangegeven in welke artikelen u overtredingen meent te zien, laat staan met welke zinsnedes. Dit is u eerder gevraagd, waarop u het antwoord schuldig bent gebleven. Het is dan ook verbazingwekkend dat u met een exploot komt. Ik verzoek u, ook met het oog op een executiegeschil, de antwoorden alsnog per omgaande te geven.

Met groet,

W.J. Dankbaar

2.            In eerste aanleg heeft Dankbaar dit ook gesteld, maar heeft hij deze stelling ingetrokken (zie

5.4 van het vonnis). Uit de namens Mustafa overgelegde producties 1 t/m 5 bleek namelijk dat hij al bij mail van 24 mei 2018, faillissementsrekest d.d. 27 juni 2018, pleitnota d.d. 24 juni 2018, mail d.d. 18 juli 2018 mail d.d. 31 augustus 2018 gewezen is op het verbeuren van dwangsommen wegens het niet geplaatst houden van de rectificatie. Dat Dankbaar in hoger beroep de betreffende stelling opnieuw inneemt is in strijd met art 21 Rv.

 

Ad 2: Hetgeen door de raadsman van Mustafa wordt gesteld is pertinent onjuist. Het is eenvoudig niet waar dat Dankbaar ter zitting zijn stelling heeft ingetrokken dat het hem onduidelijk is waarom er dwangsommen zijn verbeurd. Dit staat inderdaad weliswaar in het vonnis onder 5.4, maar ook dat is onjuist. Hoe dit in het vonnis terecht heeft kunnen komen is een raadsel, en is dan ook een ernstige fout in het vonnis. Dankbaar heeft ter zitting niks ingetrokken van zijn stelling, Integendeel, hij heeft ter zitting ook betwist dat er dwangsommen zijn verbeurd en doet dat nog steeds. De raadsman van Mustafa gebruikt een onjuiste stelling uit het vonnis dat Dankbaar zijn stelling heeft ingetrokken. Dat heeft hij niet! Er is dan ook niets in strijd met art 21 Rv.

3.            Onder punt 3 en 4 stelt Dankbaar dat hij zich aan het vonnis van de voorzieningenrechter te Haarlem van 9 mei 2018 (productie 1 bij dagvaarding) heeft gehouden. Dat is niet het geval. Zoals uit de stukken blijkt, heeft Dankbaar de rectificatie verwijderd. Zoals in de aankondiging vordering in reconventie is aangegeven, blijkt uit productie 7 dat Dankbaar los daarvan nadien inbreukmakende artikelen heeft gepubliceerd.

 

Ad 3: Dankbaar houdt vast aan het standpunt dat hij zich aan het vonnis heeft gehouden. Het feit dat de raadsman van Mustafa meent dat de rectificatie langer dan 3 weken gepubliceerd had moeten blijven, doet daar niets van af. Omdat de rechter heeft verzuimd een duidelijke termijn te verbinden aan het gepubliceerd houden van de rectificatie, zal het een eeuwige subjectieve discussie tussen partijen blijven. Dankbaar meent dat 3 weken op zijn website meer dan genoeg was, omdat daarmee vrijwel alle lezers van zijn website binnen die termijn kennis hebben kunnen nemen. Nogmaals dient gezegd te worden dat in de regel een rectificatie wordt geëist in een dagblad of een weekblad, waardoor de openbaarheid veel korter  is dan 3 weken. Tevens dient gezegd te worden dat Dankbaar het niet eens is met de inhoud van de rectificatie, maar deze toch heeft geplaatst om te voldoen aan het vonnis van 9 mei 2018.  Daarbij heeft hij ook nog de rechter gevraagd om nader te duiden wat de bedoeling is voor wat betreft de termijn van de publicatie. Hieruit blijkt zijn goede wil om aan het vonnis te voldoen, ondanks het feit dat hij het oneens is met dat vonnis. Hij kreeg echter geen antwoord van de rechter, anders dat de rechter achteraf een vonnis niet mag verduidelijken. Daarom heeft Dankbaar zelf moeten beslissen hoe lang hij de rectificatie moest laten staan, waarbij hij terecht heeft aangenomen dat 3 weken meer dan voldoende moet zijn.  Tot slot dient opgemerkt te worden dat ook de rechter in het onderhavige executiegeschil dit niet bestrijdt, evenmin zich uitlaat over wat een juiste termijn had moeten zijn.

Dankbaar ontkent met klem dat hij verder inbreukmakende artikelen heeft gepubliceerd. De raadsman van Mustafa blijkt te bedoelen artikelen waarin Dankbaar stelt dat Mustafa een valse aangifte tegen hem heeft gedaan, vervalste  verklaringen van derden heeft ingebracht  en ter zitting meineed heeft gepleegd. Dit staat Dankbaar echter vrij en zijn bewezen feiten. Zulke uitingen zijn hem niet bij vonnis verboden. Ook is het hem niet verboden om te stellen dat Mustafa op dag 1 de ware toedracht van de moord uit de doeken heeft gedaan bij de politie. Het is immers een bewezen feit dat hij als verdachte is gehoord over de moord op Marianne Vaatstra. Wat hij daar heeft verklaard wordt tot heden door Justitie in het ongewisse gelaten, maar is door Mustafa zelf in grote lijnen verklaard aan de co-auteur van Dankbaar, Hans Mauritz. Deze verklaring is in hun boek, reeds sinds 9 mei 2014 als volgt opgenomen.

‘Op zaterdag 1 (één) mei 1999 ben ik door de politie opgehaald en heb ik op het politiebureau te Buitenpost een verklaring afgelegd inzake de moord op Marianne  Vaatstra. Ik wil niet prijsgeven hetgeen ik heb verklaard maar wens wel aan te geven dat ik in ruil voor het vertellen van het adres van mijn vriend Ali Hussein Hassan in Leeuwarden men mij verder met rust zou laten. Men wekte bij mij de indruk dat Ali aldaar gearresteerd zou worden. Vervolgens heb ik Ali nooit meer gezien.

Ik ben tegen mijn wil in getuige geweest van de moord op Marianne Vaatstra maar wens over de details niet te verklaren. Wel verklaar ik bij deze dat Ali Hussein Hassan Marianne heeft gedood in de caravan van Wolfgang Hebben, bewoner van het AZC Kollum op dat deel dat niet tot het AZC behoorde maar werd bewoond door vaste standplaatshouders uit de periode dat het AZC nog niet bestond.

Marianne kwam wel vaker in de caravan van Wolfgang Hebben. Zij is die bewuste nacht daarheen gebracht door Ludger Dill in diens auto, een donkergrijze Mercedes stationcar.

Ik verklaar dat ik weet wie een derde persoon heeft gebeld om Ali in de nacht van de moord naar Leeuwarden te brengen. Ik verklaar dat ik er met niemand over heb durven praten maar wel op zondagmiddag twee mei negentienhonderd negenennegentig in de namiddag met een vriend heb besproken wat er in de afgelopen nacht is gebeurd. De identiteit van die vriend heb ik gedeeld met de auteur(s) van het boek ‘Het verboden dagboek van Maaike Vaatstra.’

Ik verklaar dat de mij bekende Ali Hussein Hassan, die Marianne heeft gedood, niet de persoon was die door Justitie is gearresteerd in Istanbul in oktober 1999. Deze persoon ken ik niet en heb ik slechts gezien op TV. Ik heb hem nooit in levende lijve gezien.

Ik verklaar dat de mij bekende Ali Hassan ook bevriend was met Mohammed (Jano) Hassan.’

Mustafa kan niet ontkennen dat hij hier niet van de op de hoogte was want Dankbaar heeft hem hier zelf in oktober 2014  telefonisch van op de hoogte gebracht. Dankbaar heeft hem die verklaring voorgelezen. Het is dan ook bijzonder vreemd dat Mustafa 3 jaar lang heeft gewacht om aangifte van smaad te doen tegen Dankbaar. In feite is die aangifte ongeldig want smaad is een klachtdelict dat binnen drie maanden na constatering behoort te worden aangegeven (artikel 66 wetboek van strafrecht) .

Eerste Boek. Algemene bepalingen

Titel VII. Indiening en intrekking van de klacht bij misdrijven alleen op klacht vervolgbaar

Artikel 66 1.De klacht kan worden ingediend gedurende drie maanden na de dag waarop de tot klacht gerechtigde kennis heeft genomen van het gepleegde feit.

Derhalve had Mustafa ook geen kort geding mogen aanspannen tegen Dankbaar. Nog vreemder is dat Mustafa nooit aangifte tegen Hans Mauritz heeft gedaan, terwijl hij toch al 3 jaar wist dat Mauritz de bron is van zijn verklaring. Sterker nog, hij heeft met Mauritz altijd een vriendelijk contact gehouden. Ter zitting van 4 november 2019 stelde Mustafa dat Dankbaar en Mauritz één en dezelfde zijn, dat het daarom niet uitmaakt wie van de twee hij aanklaagt. Maar deze vlieger gaat uiteraard niet op. Dankbaar en Mauritz zijn totaal verschillend, alleen al vanwege het feit dat Mauritz de bron is van de verklaringen die Mustafa heeft gedaan. Overigens heeft Mustafa ook nooit ontkend dat hij deze verklaringen aan Mauritz heeft afgelegd. Dat staat haaks op zijn verklaringen aan de kort geding rechter op 25 april 2018. “Heeft u ooit tegen iemand gezegd dat u getuige was van de moord op Marianne Vaatstra?” Minimaal tegen Mauritz heeft hij verklaard dat hij getuige is geweest van de moord op Marianne Vaatstra. Dankbaar heeft ook aangetoond dat Mustafa iets dergelijks heeft verklaard tegen zijn destijds beste vriend Rida Hashimi (produktie 1). Een citaat uit deze verklaring:

Ik heb de nacht van 1 op 2 mei 1999 geslapen in de caravan van Faek en zijn vader. Deze laatste was er overigens dat weekend niet, zoals dat vaker het geval was. lk weet dat de vader van Faek vaak naar Den Haag was. Hij stond bekend als een man die een leider was geweest in Noord lrak en respect afdwong onder de Koerdische gemeenschap in het AZC. Als er amok was, kon hij de gemoederen bedaren. De volgende dag, zondag 2 mei, heb ik er bij Faek op aangedrongen te vertellen wat hem dwars zat. Dat hij van slag was over iets, was mij inmiddels zeer duidelijk. Hij heeft mij toen verteld dat hij bij de politie was geweest om gehoord te worden over de moord op Marianne Vaatstra en dat hij daarover een verklaring had afgelegd. Hij vertelde mij dat deze moord was gepleegd door een gemeenschappelijk kennis van ons, Ali Hassan, die ook bewoner was op het AZC. Ik begreep uit zijn verhaal dat hij dit ook aan de politie had verklaard. Hij heeft mij niet verteld dat hij getuige van de moord was geweest, maar wel dat deze in een caravan was gepleegd. Welke caravan dat was heeft hij mij ook niet verteld. Van de heer Dankbaar begrijp ik dat dit de caravan van ene Wolfgang zou moeten zijn geweest maar dat kan ik niet bevestigen of ontkennen. Ik kende deze Wolfgang niet, maar weet wel dat Faek veel meer vrienden en kennissen had dan waar ik weet van had.

Ook deze getekende verklaring van Hashimi staat haaks op Mustafa’s ontkennende antwoorden op de vragen uit het kort geding van 25 april 2018 onder meer  “Heeft u ooit tegen iemand gezegd dat u getuige was van de moord op Marianne Vaatstra?” Daarmee is gegeven dat Mustafa meineed heeft gepleegd. Overigens heeft Mustafa ook nooit het waarheidsgehalte van Hashimi’s verklaring betwist, noch heeft hij zijn toenmalige beste vriend van smaad of laster beticht, laat staan aangifte tegen hem gedaan. Wat dat betreft heeft Mustafa zijn pijlen alleen op Dankbaar gericht.

  1. Los daarvan is het belang van Mustafa bij rectificatie niet louter gelegen in de kring van gelovigen rondom Dankbaar, maar gelegen in het feit dat bij een zoekslag op zijn naam steevast de website van Dankbaar boven in de resultaten opduikt. Mustafa handelde voorheen in auto’s uiteraard googelen potentiële kopers zijn nam. Recentelijk is Mustafa op zoek gegaan naar werk in loondienst. Uiteraard googelen potentiele werkgevers zijn naam. Zij vinden die dan geassocieerd met een beruchte moord. Gezien het voortduren van de schending van inbreuk, is het belang van het geplaatst houden van de rectificatie gegeven.

Ad 5. Het is een gegeven dat Mustafa’s naam via andere bronnen geassocieerd wordt met de moord op Marianne Vaatstra. Het OM heeft dit zelf bekend gemaakt in het zogeheten  rapport “Onderzoek Ali H. uit 2011.” (produktie 2). Dit rapport is vreemd genoeg enkele maanden geleden van de OM site verwijderd.  Niet te ontkennen valt daarom dat hij gehoord is als verdachte van de moord op Marianne Vaatstra. Evenmin dat hij gehoord is als verdachte van een beweerde verkrachting van zijn vriendin Stephanie van Reemst in dezelfde Koninginnenacht.  Dat deze laatste verdenking door het OM is geseponeerd doet daar niets aan af, temeer niet omdat Van Reemst deze verkrachting nog in de Leeuwarder Courant heeft bevestigd in een artikel van 29 januari 2011. “Ze kende Feik van een vriendinnetje dat gecharmeerd van hem was.  Toen ze voor elven ’s avonds naar huis wilde, liep hij met haar mee en werd ze door hem verkracht. Geschokt en in de war kwam ze thuis. Ze was nog helemaal niet bezig met seks. Dagen later deed ze pas aangifte.”

Het vriendinnetje van Stephanie dat gecharmeerd was van Faek, is Isabella Wagenaar. Isabella Wagenaar heeft Dankbaar verteld dat ze op maandag 3 mei 1999,  daags na de moord, telefonisch met de dood is bedreigd door Faek Mustafa nadat zij informatie aan de politie had gegeven over mogelijke betrokkenheid van Faek en Ali  bij de moord. De mededeling van Faek was volgens haar: “Als jij niet stopt met praten, word je ook vermoord.” De volgende dag heeft zij samen met haar vader Auke Wagenaar aangifte gedaan van deze bedreiging bij de politie. Dankbaar heeft het bestaan van deze aangifte van 4 mei 1999 gecheckt met cold case agent Anjo van der Helm. Met deze aangifte heeft Justitie nooit wat gedaan, net als met de verkrachting van Stephanie, hetgeen erop duidt dat Mustafa nogal een voorkeursbehandeling van Justitie geniet. Als jij niet stopt met praten, word je ook vermoord, is een onverholen bekentenis van wetenschap over de ware toedracht van de moord, tevens dat Mustafa die ware toedracht onder de pet moest houden, ongetwijfeld in samenspraak met Justitie. Ook was reeds algemeen bekend dat Faek 2 weken voor haar dood een keeldoorsnijdend gebaar heeft gemaakt naar Marianne Vaatstra in de Ringo bar te Veenklooster. Van getuige Gerrit Alma, een vriend van Spencer Sletering (destijds het vriendje van Marianne) heeft Dankbaar vernomen dat het niet Faek was die dit gebaar maakte, maar zijn vriend Ali Hassan.  In dat opzicht beschermt Dankbaar Mustafa nog.

De bovenbeschreven feiten heeft Mustafa nooit betwist en zijn wat Dankbaar betreft veel ernstiger dan de beweringen van Dankbaar. Dankbaar zegt immers slechts dat Mustafa ongewild en onbedoeld getuige is geweest van de moord op Marianne Vaatstra en dit op dag 1 aan de politie heeft verteld. Iets wat hij nota bene zelf heeft toegegeven in zijn verklaring tegenover Mauritz.  Zo “smadelijk” is dat niet. Dankbaar beschuldigt Mustafa niet van betrokkenheid bij de moord zelf. Mustafa heeft dan immers zijn plicht gedaan door de waarheid te vertellen aan de bevoegde instanties. Sterker nog, Mustafa zou zich kunnen verschonen als de politie hem te verstaan heeft gegeven dat hij de waarheid aan niemand anders mag vertellen. Vanuit die optiek verzacht Dankbaar juist het optreden van Mustafa. Dankbaar verwijt Mustafa slechts dat hij nog steeds geen openheid van zaken wil geven en meer: Dat hij onrechtmatig jegens Dankbaar handelt door erover te liegen en meineed te plegen met grote schade voor Dankbaar als gevolg. Uiteraard treft dit verwijt van Dankbaar nog veel meer Justitie. Het is volgens Dankbaar immers Justitie die vanaf dag 1 de waarheid verzwijgt en manipuleert en de ware dader Ali Hassan een heimelijke vrijgeleide heeft gegeven. En tevens Mustafa onder druk heeft gezet dat dit absoluut niet naar buiten mag komen. Dát is de misstand waar het Dankbaar om is te doen.

  1. Overigens zij uitdrukkelijk vermeld, dat Mustafa onverkort aanspraak maakt op de in dit geding aan de orde zijnde, reeds verbeurde dwangsommen.

Ad 6: Dat Mustafa volgens zijn raadsman nog steeds uitdrukkelijk aanspraak maakt op de vermeend verbeurde dwangsommen is de brutaliteit zelve, zeker omdat hij geen bezwaar heeft gemaakt over de niet vervolging van Dankbaar voor de strafaangifte van Mustafa. Hierover later meer.

  1. Het is maar de vraag of dit als een voldoende omschreven grief tegen het vonnis kan worden gekwalificeerd. Dankbaar verzuimt niet alleen te stellen op welke rechtsgrond de voorzieningenrechter met Dankbaar’s niet onderbouwde opinies rekening zou moeten houden, maar ook op welke wijze dit tot een ander dictum zou moeten leiden.

 

  1. Dit klemt temeer nu het vonnis van de voorzieningenrechter te Haarlem gezag van gewijsde heeft en de rechter dus uit moet gaan van het daarin opgenomen dictum.

Ad 9 en 10: Dat het kort geding vonnis van 9 mei 2018  in kracht van gewijsde is gegaan, is niet te wijten aan Dankbaar. Dankbaar heeft zijn advocaat opdracht gegeven om hiertegen hoger beroep aan te tekenen. Zijn advocaat heeft de termijn waarbinnen dit kon, echter laten verlopen. Dit tot grote ontsteltenis van Dankbaar. De opinies van Dankbaar zijn ook geenszins niet onderbouwd. Mustafa heeft tijdens dat kort geding meineed gepleegd en dat kan Dankbaar bewijzen. Hij heeft hiervan ook aangifte gedaan, maar inmiddels is gebleken dat het OM zijn aangifte niet heeft willen vervolgen. Die is geseponeerd tot ontevredenheid van Dankbaar, kennelijk niet tot ontevredenheid van Mustafa.

  1. Hoewel Mustafa zich de bewoordingen van zijn slotwoord niet exact herinnert (en hij dus de bewoording in de memorie van grieven bij gebrek aan wetenschap bestrijdt), is er geen tegenstrijdigheid tussen niets uit eigen waarneming van de moord weten en dat vanaf dag één vertellen.

Ad 14: Het is op zijn minst vreemd dat Mustafa zijn uitspraken op de zitting van 4 november 2019 niet meer weet te herinneren. De raadsman van Dankbaar heeft deze uitspraken genoteerd omdat ze zo opmerkelijk waren:  “Ik heb vanaf dag 1 verteld wat ik weet over de zaak.” en: “Vanaf dag 1 heb ik gezegd: ik ben bereid om mee te werken en wel volledig.”

Dit is opmerkelijk omdat Mustafa hier zelf spreekt over dag 1. Dag 1 kan niet anders bedoeld zijn dan de dag van de moord, 1 mei 1999. Dat is de dag die hij ook heeft gemeld in zijn verklaring naar Hans Mauritz en Rida Hashimi. In die verklaring zei hij ook dat hij op 1 mei 1999 aan de politie heeft verteld wat er daadwerkelijk is gebeurd.  Bovendien zegt hij “wat ik weet over de zaak”. Daarmee geeft hij te kennen dat hij wel degelijk wat weet over de zaak. Dankbaar bestrijdt ook niet dat Mustafa bereid is om mee te werken. Meewerken is immers vertellen aan de politie op dag 1 wat er daadwerkelijk is gebeurd. Daarom probeert Dankbaar nu al 8 jaar om Mustafa in de getuigenbank te krijgen. Iets wat Dankbaar tot nu toe stelselmatig wordt geweigerd door Justitie. Opmerkelijk is dat omdat Mustafa nu zelf heeft herhaald dat hij bereid is om mee te werken en te vertellen wat hij weet over de zaak. In een telefoongesprek met Dankbaar heeft hij ook al bevestigd: Als je vragen hebt, Wim? Voor de rechter! Het is echter de rechter die een dergelijk getuigenverhoor keer op keer niet toestaat.

  1. In de derde grief stelt Dankbaar -geparafraseerd- dat hij adequaat gerectificeerd zou hebben door bij gebreke van een termijn in het vonnis, zelf te bepalen dat het geplaats houden van de rectificatie gedurende drie weken voldoende is.

 

  1. Dankbaar stelt dat daarmee, zonder daarvan ook maar een sprankje bewijs te leveren of aan te bieden, het doel van de rectificatie bereikt zou zijn, namelijk het bereiken van zijn lezers, bereikt zou zijn.

Ad 15 en 16: Dankbaar heeft onderbouwd dat het geplaatst houden van de rectificatie gedurende 3 weken op zijn website 99,9 van zijn lezers heeft bereikt. Dit blijkt onder meer uit het feit dat hij geen “hits” meer krijgt op artikelen van 3 weken geleden. Bij het verzuim van de kort geding rechter om een termijn te stellen voor de rectificatie, heeft Dankbaar zelf moeten beslissen hoelang hij de rectificatie geplaatst diende te houden. Gemotiveerd heeft hij aangegeven dat 3 weken meer dan voldoende is. Nogmaals zij gezegd dat in de regel een rectificatie wordt geëist in een dagblad of weekblad. Die termijn heeft Dankbaar genereus overschreden.

  1. Dankbaar is met die stelling niet bij het juiste forum. Volgens art. 611 Rv is slechts de rechter die de dwangsom heeft opgelegd bevoegd om Dankbaar daarvan te ontheffen of een termijn te bepalen.

Ad 17: Zoals eerder gezegd heeft Dankbaar de kort geding rechter mr. Roëll gevraagd om de termijn voor de rectificatie te duiden, alsmede om de dwangsommaatregel op te heffen. Dankbaar heeft hier slechts het antwoord op ontvangen dat de rechter niet bevoegd is om een vonnis nader te duiden en dat het enige middel dat hem openstaat een hoger beroep of een bodemprocedure is.


Van: Voorzieningenrechter civiel (Rechtbank Noord-Holland) [mailto:kortgeding.rb-nho.haarlem@rechtspraak.nl]

Verzonden: woensdag 13 februari 2019 10:09

Aan: Wim Dankbaar

Onderwerp: RE: Verzoek tot opheffing aan mr. Th. S. Röell

Geachte meneer Dankbaar,

Onderstaande e-mailberichten met bijlagen zal ik bij mr. Röell afleveren.

Daar hij tot maart afwezig is, zal een eventueel antwoord nog even uitblijven.

Hopende u momenteel voldoende te hebben geïnformeerd.

Met vriendelijke groet,

A.M.E. (Anastasia) Beentjes

Senior Administratief Medewerker        

 

Van: Wim Dankbaar [mailto:dank@xs4all.nl]

Verzonden: woensdag 13 februari 2019 9:24

Aan: Voorzieningenrechter civiel (Rechtbank Noord-Holland) <kortgeding.rb-nho.haarlem@rechtspraak.nl>

Onderwerp: Verzoek tot opheffing aan mr. Th. S. Röell

Geachte mevrouw Beentjes (of collega),

Kunt mijn verzoek doorsturen aan mr. Th. S Röell? En mij daar een bevestiging van sturen?

Met vriendelijke groet,

W.J. Dankbaar

 

Edelachtbare heer Röell, 

Op 9 mei 2018 heeft u een kort geding vonnis gewezen inzake Mustafa/Dankbaar (vonnis in bijlage). Ik heb hier hoger beroep tegen willen aantekenen, en mijn advocaat daartoe opdracht gegeven, maar mijn advocaat heeft de termijn waarbinnen dat moest gebeuren laten versloffen, iets wat ik hem uiteraard  kwalijk neem. Mijn overgebleven mogelijkheid is een bodemprocedure, maar dit duurt veel langer.

De advocaat van Mustafa heeft dwangsommen ten bedrage van 100.000 euro opgeëist wegen vermeende overtredingen. Het exploot is bijgesloten. Op de derde bladzijde van het exploot las ik dat ik de rechter die het vonnis heeft gewezen, kan vragen om de opeising van deze beweerd verbeurde dwangsommen op te heffen dan wel nietig te verklaren. Los van het feit dat ik onvermogend ben om dit bedrag te voldoen, bestrijd  ik de verbeurte ervan ten stelligste. Ik verzoek u om opheffing omdat de heer Moszkowicz ondanks herhaald verzoek weigert te specificeren hoe en waarmee, met name met welke zinsnedes, de dwangsommen zijn verbeurd. De onderstaande correspondentie (de emails zijn met leesbevestiging ontvangen) laat daar geen onduidelijkheid over bestaan.  Het enige dat ik wel weet is dat het bedrag van 32000 euro bedoeld is voor het naar de zin van de heer Moszkowicz, niet lang genoeg geplaatst houden van de rectificatie. Omdat daarvoor geen termijn gesteld was in het vonnis, en navraag bij uw rechtbank ook geen uitsluitsel gaf, heb ik gemeend die rectificatie 3 weken geplaatst te moeten houden, waarmee aan het doel van de rectificatie is voldaan, omdat 99,9 % van mijn lezers dan kennis hebben genomen van de rectificatie. De heer Moszkowicz meent echter arbitrair dat de rectificatie er langer op had moeten staan.

Tot slot heeft het er voor mij alle schijn van dat mr. Moszkowicz misbruik maakt van recht door op deze manier te trachten een groot bedrag te innen voor Mustafa, in plaats van via de benodigde bodemprocedure die hij niet heeft gestart voor Mustafa.

Hoogachtend,

W.J. Dankbaar

  1. Zoals Mustafa ter zitting heeft doen toelichten, is het doel van de rectificatie niet slechts gelegen in eventuele vaste bezoekers van Dankbaar’s website, maar ook in de argeloze bezoeker zie de naam van Mustafa googelt, bijvoorbeeld ten behoeve van een sollicitatie. Deze vinden steevast de website van Dankbaar bovenaan in de zoekresultaten.
  2. Voor zover de analogie met de krant al op zou gaan (quod non) zij opgemerkt dat Dankbaar zich na verwijdering van de rectificatie opnieuw schuldig heeft gemaakt aan inbreukmakende publicaties. Daarmee is het belang bij de rectificatie, voor zover het al weggeweest was (quod non), herleefd.

    Ad 18 en 19: De raadsman van Mustafa specificeert op geen enkele manier hoe de artikelen inbreuk maken op het kort geding vonnis van 9 mei 2018. Nogmaals, het is Dankbaar niet verboden bij dat vonnis om te vertellen dat Mustafa  een valse aangifte heeft gedaan, meineed heeft gepleegd en/of vervalste verklaringen heeft ingebracht bij zijn aangifte. Sterker nog, het is voor Dankbaar’s noodzakelijke verdediging om dit te mogen melden.
  3. Op de website van Dankbaar zijn ook vandaag (6-4-2020) nog steeds inbreukmakende artikelen te vinden. Zo stelt hij in het artikel “Artikel 12 procedure tegen niet vervolging Wim en Faek” van 29 januari 2020 (productie 1):

 

  1. “Erger is nog dat ik dus het gestelde over aangevers mag blijven zeggen. Het OM wil of durft er kennelijk niks aan te doen dat ik stel dat Faek Mustafa ongewild aanwezig is geweest bij de moord is geweest door Ali Hassan in een caravan op het AZC en deze toedracht op dag 1 aan de politie heeft verteld. (…)”Ad: 20 en 21: “Erger is nog dat ik dus het gestelde over aangevers mag blijven zeggen. Het OM wil of durft er kennelijk niks aan te doen dat ik stel dat Faek Mustafa ongewild aanwezig is geweest bij de moord is geweest door Ali Hassan in een caravan op het AZC en deze toedracht op dag 1 aan de politie heeft verteld. (…)”Dankbaar bestrijdt dat deze tekst een overtreding is van het kort geding vonnis van 9 mei 2018. Eerst dient nogmaals gezegd te worden dat Dankbaar het met dit vonnis niet eens is en deze uitspraak in een bodemprocedure zal aanvechten. Mustafa heeft een strafaangifte tegen Dankbaar gedaan, juist om te voorkomen dat Dankbaar mag zeggen dat Mustafa ongewild getuige is van de moord en de ware toedracht aan de politie heeft verteld. Deze aangifte is geseponeerd. Dit betekent dat Dankbaar dit nog steeds mag zeggen van het OM, of althans dat het OM daar niets aan wil doen. Er wordt hem immers geen sanctie opgelegd door het OM. Terwijl dit juist zo logisch zo zijn omdat Dankbaar eerder is veroordeeld voor soortgelijke aangiftes, onder meer van Wolfgang Hebben. Weliswaar ligt er een civiel vonnis dat Dankbaar dat niet meer mag zeggen, maar het feit dat het OM de strafaangifte van Mustafa seponeert is dermate relevant in het maatschappelijke belang dat het Dankbaar geoorloofd is om dit te melden. Het haalt namelijk de kracht van het civiele vonnis onderuit. Kennelijk durft het het OM Dankbaar niet te vervolgen voor de aangifte van Mustafa. De reden is voor Dankbaar zonneklaar. Dankbaar kan immers in een procedure met Mustafa als rechtstreekse wederpartij eisen dat hij Mustafa als  getuige onder ede mag horen. Iets wat hij al jarenlang vraagt aan de diverse rechtbanken. Tevens kan Dankbaar in rechte bewijzen dat Mustafa meineed heeft gepleegd , een valse aangifte heeft gedaan én vervalste verklaringen van zijn “financiers” heeft ingebracht. Waarmee ook duidelijk wordt dat het OM de aangifte van Dankbaar zelf tegen Mustafa op basis van leugens heeft geseponeerd. Het OM heeft dus veel te  verliezen. Dat is de reden dat het OM Dankbaar niet wil vervolgen en omgekeerd Mustafa niet wil vervolgen.  Anders gezegd, met een vervolging van Dankbaar en Mustafa komt vrijwel zeker de ware toedracht van de moord op Marianne Vaatstra  aan het licht, met alle afbreukgevoeligheid voor het OM van dien.Dat Mustafa en zijn raadsman dit ook bevroeden, blijkt wel uit het feit dat zij geen bezwaar hebben gemaakt tegen de sepotbeslissingen van het OM. Dankbaar heeft dit wel gedaan middels een procedure ex artikel 12, zowel tegen het sepot van de aangifte van hemzelf als die van Mustafa. Dat laatste is nog nooit vertoond: Een verdachte die vervolging eist tegen zichzelf! Het bewijst maar weer dat Dankbaar nergens bang voor is. Kennelijk is de raadsman van Mustafa wel bang, en terecht. Het kan namelijk niet anders dat de raadsman op de hoogte moet zijn geweest van de valsheid van de verklaringen die Mustafa heeft ingebracht van zijn “financiers”. Waarschijnlijker is nog dat de raadsman Mustafa heeft aangezet tot het vervalsen van deze verklaringen teneinde een civiele geldelijke claim tegen Dankbaar op te tuigen. Zo niet, dan had de raadsman zich er in elk geval van moeten vergewissen dat deze verklaringen niet vals zijn in plaats van ze voor zoete koek te slikken. Hiermee is de onrechtmatigheid van de civiele procedure tegen Dankbaar reeds bewezen. Ter verduidelijking: Dankbaar heeft zelf op onderzoek moeten uitgaan om de valsheid van de verklaringen te bewijzen. De politie heeft dit onderzoek nooit gedaan.http://jfkmurdersolved.com/vaatstra/hemen.mp3Na het beluisteren van dit gesprek is de conclusie onontkoombaar: Faek Mustafa heeft vervalste, zelf verzonnen verklaringen ingebracht buiten medeweten van zijn “financiers” om. Bovendien heeft hij onder die verklaringen vervalste, zelf verzonnen handtekeningen gezet. Dankbaar heeft naderhand deze mensen opgezocht en de verklaringen laten zien, waarbij zij nogmaals te kennen gaven deze verklaringen niet te kennen, maar bovendien dat het ook niet hun handtekeningen waren.Het sepot werd als volgt gemotiveerd door officier van justitie mr. mw. K Sanders:

    “Ik heb besloten dat er geen strafzaak komt tegen de heer Mustafa. Uit het onderzoek van de politie is gebleken dat er voor alle feiten waarvan u aangifte hebt gedaan onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is”.

    “Ten aanzien van de valsheid in geschrifte is uit onderzoek gebleken dat, zoals u stelt in uw aangifte, de verklaringen niet op schrift zijn gesteld door de getuigen zelf. Wel waren zij op de hoogte van de inhoud van de verklaringen en stonden zij achter de inhoud daarvan. Dat maakt dat er geen sprake is van valsheid in geschrifte.”

    Evident is dat de officier van justitie de aangifte afserveert met een klinkklare leugen, wat ook een strafbaar feit is jegens Dankbaar.  De waarheid geweld aandoen in een ambtelijk stuk staat gelijk aan meineed. Het beweerde onderzoek is nooit door de politie gedaan en verklaarders die niet eens hun handtekening herkennen kunnen nooit achter de inhoud staan. Het gaat om valsheid in geschrifte in optima forma.

    De discrepantie tussen de civiele uitspraak van 9 mei 2018 en de sepotbeslissingen van het OM is dermate onlogisch en groot, dat Dankbaar dit wel móest melden in het algemeen maatschappelijke belang.  Er is immers niks gelogen aan de tekst:  “Erger is nog dat ik dus het gestelde over aangevers mag blijven zeggen. Het OM wil of durft er kennelijk niks aan te doen dat ik stel dat Faek Mustafa ongewild aanwezig is geweest bij de moord is geweest door Ali Hassan in een caravan op het AZC en deze toedracht op dag 1 aan de politie heeft verteld. Het klopt als een bus dat Dankbaar de gewraakte uitlatingen van het OM mag blijven doen. Anders had het OM hem die uitlatingen door de rechter moeten laten verbieden door hem te vervolgen. Het gaat Dankbaar niet zozeer om Mustafa, maar om de onrechtmatige handelwijze van het OM in het onderzoek naar de moord op Marianne Vaatstra. Die onrechtmatige handelwijze wordt volgens Dankbaar bevestigd door Dankbaar niet te willen vervolgen voor de aangifte van Mustafa, evenals Mustafa niet te willen vervolgen voor de aangifte van Dankbaar tegen Mustafa. Het maatschappelijk belang om dit te melden is groter dan de uitspraak van het civiele kort geding vonnis van 9 mei 2018. Dat vonnis verbood Dankbaar immers om bepaalde dingen niet meer te mogen zeggen, maar van het OM mag hij die dingen nog wel zeggen. Althans, in een strafrechtelijke procedure wil het OM dat kennelijk niet verbieden, wat de uitspraak van het kort geding vonnis van 9 mei 2018 reeds op losse schroeven zet.

  2. Feit is bovendien dat Dankbaar Mustafa al tenminste sinds zijn boek “Het Vaatstra Complot” uit 2015 blootstelt aan de gerectificeerde verdachtmakingen. Plaatsing gedurende slechts drie weken staat daartoe in geen enkele verhouding.

 

  1. In punt 20 stelt Dankbaar dat Mustafa niet aan de bel getrokken zou hebben nadat Dankbaar de rectificatie (zonder Mustafa daarvan overigens in kennis te stellen) had verwijderd. Hij stelt verder dat Mustafa in stilte zou hebben gewacht tot de dwangsommen geheel verbeurd waren. Beide stellingen zijn onjuist en in strijd met art 21 Rv.Ad 22 en 23: Feit is dat Dankbaar en Mauritz Mustafa reeds sinds 14 mei 2014 (de uitgiftedatum van hun boek) blootstellen aan de gewraakte beweringen ten aanzien van Mustafa. Mustafa heeft daar ruim 3 jaar niks tegen gedaan, totdat hij op 14 augustus 2017 besloot aangifte te doen tegen Dankbaar. Daarmee was hij ruim te laat omdat “smaadschrift” binnen 3 maanden na constatering behoort te worden aangegeven (artikel 66 wetboek van strafrecht). Er is dan ook niks in strijd met artikel 21 Rv. Overigens verklaart de heer Mauritz over deze aangifte als volgt:

Van: J. Hans Mauritz – Kantoor Thuis

Verzonden: zondag 15 juli 2018 21:33

Aan: Wim Dankbaar

Onderwerp: Verklaring Mustafa / Reyneveld

Geachte heer Dankbaar,

Zoals reeds persoonlijk besproken bevestig ik dat de heer F. Mustafa mij persoonlijk heeft verteld dat hij door de heer Reyneveld, de raadsman van de heer Hebben in de lopende civiele procedure tegen u, is aangezet tegen u – een overigens volstrekt valse – aangifte te doen ter zake smaad, hetgeen ook werkelijk is gebeurd. Ook heeft hij me verteld dat de heer Reyneveld hem heeft benaderd voor een verklaring ten einde te bewijzen dat zijn cliënt niet betrokken zou zijn dan wel geen kennis zou dragen van de moord op Marianne Vaatstra. Mustafa heeft tevens aan mij verklaard dat hij daaraan niet wenste mee te werken omdat hij zich bij nader inzien misbruikt voelde door Reyneveld voornoemd en hem in een lastig parket heeft gebracht.

Ook kan ik verklaren dat de heer Reyneveld heeft gesproken met de heer Mustafa voorafgaand aan de zitting in Rotterdam waar uw verzoek tot een voorlopig getuigenverhoor voorlag waarbij ook Mustafa opgeroepen diende te worden. Ook na bovenbedoelde zitting heeft de heer Reyneveld uitgebreid gesproken met de heer Mustafa waarvan meer dan tien bezoekers van de zitting eveneens getuigen zijn.

Verder heeft de heer Mustafa mij verteld dat hij benaderd is door het kantoor van de heer Moszkowicz, om een aanklacht tegen de heer Dankbaar  op te tuigen.  Tevens heeft de heer Mustafa mij verklaard dat hij inmiddels zeer betreurt dat hij hierin is meegegaan.

Uiteraard ben ik bereid bovenstaande onverkort onder ede te verklaren.

Met groet,

J. Mauritz


Ad 24: De raadsman van Mustafa citeert een aantal fragmenten uit het faillisementsverzoek. Allereerst dient vastgesteld te worden dat de raadsman ook nog het faillissement wilde aanvragen van Dankbaar nadat zijn kantoor reeds ruim 700.000 euro van Dankbaar geforceerd geïnd had in andere civiele zaken. Hieruit blijkt de niets ontziende strategie van het kantoor van mr. Y. Moszkowicz om Dankbaar volledig financieel aan de grond te krijgen. De raadsman citeert zelf dat er aan de rectificatie geen einddatum gekoppeld was. Hij meent arbitrair dat de rectificatie 3 maanden geplaatst gehouden had moeten worden. Dankbaar blijft om voornoemde redenen van mening dat 3 weken meer dan voldoende was om het beoogde doel van de rectificatie te bereiken. Ook de nieuwe voorzieningenrechter doet geen uitspraak over hoe lang de rectificatie geplaatst dient te blijven. Vermeend verbeurde dwangsommen in verband met de rectificatieduur dienen daarom te worden afgewezen.

 

  1. Dankbaar stelt dat de rechter ten onrechte heeft aangenomen dat Dankbaar de volledige dwangsommen verbeurd zou hebben.

 

  1. Daartoe suggereert hij dat dat volgens iemand (de rechter? Mustafa? Iemand anders?) een deel van €.32000,– ‘te maken zou hebben’ houden met de rectificatie en €.68.000,– met publicaties (punt 32 MvGr). Waar deze verdeling op is gegrond is volstrekt onduidelijk. Zij is in het vonnis in elk geval niet gemaakt en in zoverre mist de grief feitelijke grondslag.Ad 25 en 26: Het is juist dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft aangenomen dat Dankbaar de volledige dwangsommen verbeurd zou hebben. In het vonnis wordt op geen enkele manier aangegeven hoe en waarmee Dankbaar de dwangsommen verbeurd zou hebben. Wat betreft de verdeling van de vermeend verbeurde dwangsommen, heeft de raadsman van Mustafa deze zélf gespecificeerd in het deurwaardersexploot (produktie 3). 32.00 euro op basis van het in zijn visie te kort geplaatst houden van de rectificatie. 43.000 en 25.000 euro op basis van artikelen die naar zijn mening inbreuk maken op het kort geding vonnis van 9 mei 2018. De bewering dat de verdeling volstrekt onduidelijk is, is volkomen bezijden de waarheid, want deze verdeling heeft de raadsman zelf aangegeven. Nogmaals zij gezegd dat de raadsman van Mustafa ondanks herhaaldelijk verzoek nooit heeft aangegeven met welks zinsnedes in de gewraakte artikelen het kort geding vonnis van 9 mei 2018 wordt overtreden.  De voorzieningenrechter doet dat evenmin in het vonnis van 18 november 2019. Het blijft daarmee volstrekt onduidelijk dat Dankbaar dwangsommen zou hebben verbeurd, laat staan de volledige dwangsommen.
  2. De stelling in punt 26, dat de rechter geen uitspraak zou hebben gedaan over €.68.000,– aan verbeurde dwangsommen mist daarmee evenzeer feitelijke grondslag, voor zover deze stelling al op begrijpelijke wijze uit het voorgaande zou volgen.
  3. Anders dan Dankbaar suggereert, overweegt de voorzieningenrechter in 5.5 van het vonnis simpelweg dat met het niet geplaatst houden van de rectificatie voldoende aannemelijk is dat de volledige dwangsommen zijn verbeurd. De veroordeling in reconventie voor de artikelen maakt dit slechts ten overvloede (‘mede’) aannemelijk.

Ad 27 en 28: De redenering van de voorzieningenrechter onder 5.5 in het vonnis van 18 november 2019 kan geen stand houden in hoger beroep. Er wordt gesteld: “Aan de veroordeling tot plaatsing van de rectificatie is geen tijdsbepaling verbonden.” Dit is een ernstig hiaat in het vonnis van 9 mei 2018, waar de voorzieningenrechter overheen stapt. “Dit betekent naar voorlopig oordeel dat de rectificatie voor onbepaalde op de website geplaatst dient te worden.” Volstrekt onduidelijk is wat de voorzieningenrechter bedoelt met “onbepaalde tijd”. Bedoelt de rechter “voor eeuwig”? Dit is nog nooit vertoond. Een rectificatie die voor eeuwig geplaatst dient blijven? Dankbaar heeft eerder rectificaties moeten plaatsen, waaraan een tijdsbepaling was verbonden, waaraan Dankbaar zich keurig heeft gehouden. Nu de voorzieningenrechter in het vonnis van 9 mei 2018  heeft verzuimd om een tijdsbepaling te geven en niet nader heeft geduid wat die tijdsbepaling had moeten zijn, was het aan Dankbaar zelf om te beoordelen hoelang hij die rectificatie op zijn website had moeten laten staan. Hij heeft besloten dat 3 weken meer dan voldoende is, omdat zijn volgers artikelen van meer dan 3  weken geleden niet meer lezen.  Daarbij zij ook nog vermeld dat Dankbaar de juistheid van de rectificatie bestrijdt. Het is namelijk onwaar dat Dankbaar geen enkel bewijs heeft dat Mustafa verklaringen heeft afgelegd omtrent zijn kennis over de moord op Marianne Vaatstra. Dat de raadsman van Mustafa heeft gevraagd om de (onjuiste) rectificatie 3 maanden geplaatst te houden, doet daar niets aan af. Sterker nog, de raadsman erkent daarmee dat een rectificatie voor eeuwig geplaatst houden, onrealistisch is.

  1. Dankbaar stelt dat de voorzieningenrechter verondersteld zou hebben dat Dankbaar een vordering op zijn moeder heeft. Deze grief mist feitelijke grondslag. De voorzieningenrechter heeft dat geenszins aangenomen. Men zie 5.7 van het vonnis.
  2. Na ontvangst van de verklaring derdenbeslag is er verder geen actie meer ondernomen ten aanzien van de moeder van Dankbaar, nu uit een vonnis van de rechtbank Zeeland-West Brabant van 20 november 2019 met zaaknr C/02/356330 HAZA 19/187 gebleken is dat Dankbaar zijn resterende fortuin niet bij zijn moeder, maar bij zijn voormalige kameraad Mauritz heeft ondergebracht.Ad 30 en 31: De raadsman van Mustafa stelt dat gebleken is dat Dankbaar het restant van zijn door zijn kantoor afgenomen vermogen heeft ondergebracht bij de heer Mauritz. Dat klopt wel. Alleen is ook gebleken dat de heer Mauritz dat niet wenst terug te betalen. Hoe het ook zij, de raadsman van Mustafa erkent hiermee dat Dankbaar geen vorderingen op zijn moeder heeft. Sterker nog, hij heeft een schuld bij zijn moeder. Daarmee staat de vordering van Dankbaar om het derdenbeslag van Mustafa bij zijn moeder op te heffen, voor toewijzing gereed.Verdere relevante beschouwingenGebleken is dat het OM de aangiftes van en tegen Mustafa heeft geseponeerd. Gebleken is ook dat Mustafa geen bezwaar heeft gemaakt tegen de sepots. Dankbaar heeft daar wel bezwaar tegen gemaakt. Dit is opmerkelijk te noemen omdat Mustafa en zijn raadsman kennelijk ook niet de strafaangiftes in rechte willen beslechten. Dat maakt hun claim om het civiele vonnis overeind te willen houden uiterst dubieus. Dankbaar is nu doende om een dagvaarding voor een bodemprocedure tegen Mustafa uit te brengen. Het blijkt dat Mustafa en zijn raadsman daar niet aan willen meewerken. Mustafa is inmiddels verhuisd en de raadsman geeft geen toestemming om de dagvaarding op zijn kantooradres te betekenen, terwijl dit voorheen wel mocht. Ook wil de raadsman het nieuwe adres van Mustafa niet geven, hoewel hij zegt: U kunt de dagvaarding bij mijn cliënt betekenen. Inmiddels is het nieuwe adres van Mustafa bij de deurwaarder wel bekend, waardoor de dagvaarding bij Mustafa betekend is. De boodschap van Mustafa en zijn raadsman is echter duidelijk: Zij zitten niet te wachten op een bodemprocedure van Dankbaar tegen Mustafa en doen er alles aan om die te voorkomen. Dat is opmerkelijk als zij werkelijk menen sterk in hun schoenen te staan.

 

Tot slot wil Dankbaar het Hof nog het volgende in overweging geven:

– Het is Mustafa die meineed heeft gepleegd.
– Het is Mustafa die valsheid in geschrifte heeft gepleegd.
– Het is Mustafa die een valse aangifte tegen Dankbaar heeft gedaan.

– Het is Mustafa die onrechtmatig en strafbaar handelt jegens Dankbaar.

– Het is Mustafa die misbruik maakt van recht.
– Het is Mustafa die niet in verzet komt tegen het sepot van zijn aangifte tegen Dankbaar.

Bovenstaande punten zijn alle de ware feiten die Dankbaar mag benoemen. Met andere woorden: Mustafa mag niet mekkeren. Hij heeft zelf het risico genomen om deze strafbare feiten tegen Dankbaar te plegen. Met zijn handelwijze maakt hij de vermeend “smadelijke” stellingen van Dankbaar slechts geloofwaardiger. Datzelfde geldt voor het Openbaar Ministerie, dat Dankbaar en Mustafa niet wil vervolgen.

Het komt erop neer dat Dankbaar zijn stellingen in rechte kan bewijzen, maar dat het OM en de rechtspraak hem dat niet toestaan.

CONCLUSIE

 

Appellant verzoekt het gerechtshof:

 

  1. Het vonnis van de vonnis van de rechtbank Rotterdam d.d. 18 november 2019 te vernietigen, en, opnieuw recht doende, te bepalen de vorderingen van appellant alsnog moeten worden toegewezen en de vorderingen in reconventie van geïntimeerde moeten worden afgewezen.
  2. Geïntimeerde te veroordelen in de kosten van het geding in beide instanties.

Over Wim Dankbaar

researcher/publicist/ondernemer
Dit bericht werd geplaatst in Marianne Vaatstra. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s