Memorie van grieven tegen Faek Mustafa

 

Gerechtshof Den Haag

Rolzitting van 25 februari 2020

Zaaknummer: 200.272.213/01

 

 

 

MEMORIE VAN GRIEVEN

 

inzake:

 

 

Willem Jan (Wim) DANKBAAR                                                                                            wonende te Overveen

appellant

advocaat: mr T.J. Stapel te Haarlem

tegen: 

Faek MUSTAFA

wonende te Rotterdam

geïntimeerde

advocaat: mr M.J. Hoogendoorn te Utrecht                                                                      

**********************************

 Appellant, verder te noemen: “Dankbaar”, is in hoger beroep gekomen van een vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam d.d. 18 november 2019, tussen hem en geïntimeerde, verder te noemen: “Mustafa”, gewezen in de zaak met nummer C/10/578074/KG ZA 19-722. Dankbaar handhaaft in dit hoger beroep al hetgeen hij in de procedure in eerste aanleg heeft gesteld en betwist uitdrukkelijk alle daarmee in strijd zijnde stellingen van Mustafa. 

Voorgeschiedenis en de procedure in eerste aanleg

  1. Op 9 mei 2018 is door de rechtbank Noord Holland, locatie Haarlem, tussen eiser, verder te noemen: “Dankbaar” en gedaagde, verder te noemen: “Mustafa” een kort gedingvonnis gewezen in de zaak met nummer C/15/271865/ KG ZA 18-215 (zie productie 1 bij dagvaarding in eerste aanleg). Dankbaar is bij dat vonnis veroordeeld tot een contactverbod ten aanzien van Mustafa. Verder is hij veroordeeld om bepaalde door hem op zijn webstie geschreven artikelen over Mustafa van zijn website te verwijderen, is hem verboden bepaalde artikelen over Mustafa te publiceren en moest hij op zijn website een rectificatie plaatsen, alles op straffe van een dwangsom van € 1.000 per dag voor ieddre overtreding tot een maximum van € 100.000. Verder is hij veroordeeld tot betaling van een voorschot op immateriële schadevergoeding ter grootte van € 5.000.
  2. Hoewel Dankbaar het met dit vonnis niet eens was, heeft hij er geen hoger beroep tegen ingesteld, maar wilde hij het vonnis aanvechten in het kader van een tegen Mustafa te entameren bodemprocedure. Gezien het feit dat Dankbaar was veroordeeld tot een voorschot op de schadevergoeding, verwachtte hij dat namens Mustafa op enig moment een bodemprocedure zou worden ingeleid om nog meer schadevergoeding te verkrijgen. In het kader van die procedure had Dankbaar zijn bezwaren tegen het vonnis in reconventie kenbaar willen maken. Omdat die bodemprocedure van de kant van Mustafa nimmer is ingeleid, zal Dankbaar daar op korte termijn zelf toe overgaan. Het spreekt vanzelf dat een met dergelijke bodemprocedure veel tijd zal zijn gemoeid. Een vonnis is dan ook zeker niet voor de tweede helft van 2020 te verwachten.
  3. Ondanks het feit dat hij het met het kort gedingvonnis d.d. 9 mei 2018 niet eens was, heeft Dankbaar zich wel aan het vonnis gehouden, om de eenvoudige reden dat hij niet wilde riskeren dat hij dwangsommen zou gaan verbeuren. De advocaat van Mustafa heeft echter desondanks een exploot aan Dankbaar laten betekenen, waarin het maximum van € 100.000 aan verbeurde dwangsommen werd opgeëist. Het exploot is bijgevoegd als productie 2 bij dagvaarding in eerste aanleg. Vervolgens is een aantal maanden later ook nog eens executoriaal derdenbeslag gelegd onder de moeder van Dankbaar, op vermeende vorderingen die Dankbaar op haar zou hebben. Het betreffende exploot is bijgevoegd als productie 3 bij dagvaarding in eerste aanleg. Afgezien van het feit dat Dankbaar in het geheel geen vorderingen op zijn moeder heeft, waarmee er dus feitelijk geen beslagobjecten zijn, wilde Dankbaar dat het beslag zou worden opgeheven omdat er simpelweg door hem geen dwangsommen waren verbeurd en er dus geen enkele reden bestond om terzake verbeurde dwangsommern beslag te leggen.
  4. Dankbaar is en blijft ervan overtuigd het vonnis naar de letter te hebben negeleefd, waardoor er in het geheel geen dwangsommen kunnen zijn verbeurd. Ondanks herhaald verzoek daartoe weigert Mustafa om te specificeren hoe, waarmee (met welke artikelen, zinnen of zinsdelen) en wanneer er dwangsommen zouden zijn verbeurd. Dankbaar heeft sinds het vonnis niets gedaan dat in strijd is met het vonnis en hij heeft op zijn website een rectificatie geplaatst. Dankbaar en zijn advocaat hebben verschillende malen aan (de advocaat van) Mustafa gevraagd om tekst en uitleg ten aanzien van het vermeende verbeuren van dwangsommen, maar hebben daarop nooit enig bevredigend antwoord gekregen.
  1. Uiteindelijk is aan de hand van het als productie 2 bij dagvaarding in eerste aanleg bijgevoegde exploot duidelijk geworden wat Dankbaar door Mustafa werd verweten. Volgens dat exploot had een deel vn € 32.000 van het bedrag van € 100.000 te maken met het feit dat de geplaatste rectificatie naar de zin van Mustafa niet lang genoeg op de website van Dankbaar zou hebben gestaan. Dankbaar meent ook op dit punt volledig aan het vonnis te hebben voldaan: omdat daarvoor in het vonnis geen termijn was gesteld en navraag bij de rechtbank ook geen uitsluitsel gaf, heeft Dankbaar gemeend die rectificatie 3 weken geplaatst te moeten houden. Met een dergelijke termijn was ruimschoots aan het doel van de rectificatie voldaan, omdat 99,9 % van de bezoekers/ lezers van de website van Dankbaar na die termijn kennis hebben moeten kunnen nemen van de rectificatie. Op volkomen willekeurige gronden menen Mustafa en zijn advocaat echter dat de rectificatie langer op de website had moeten blijven staan.
  2. Ook zou Dankbaar het vonnis hebben overtreden door op 8 en 17 november 2018 artikelen op zijn website te hebben gepubliceerd, waarin hij uiteen zet dat Mustafa naar overtuiging van Dankbaar een valse aangifte heeft gedaan  en meinedige verklaringen heeft afgelegd tijdens de zitting van 25 april 2018. Het stond en staat Dankbaar vrij hierover te publiceren. Dankbaar heeft van deze feiten ook aangifte gedaan bij de politie. Naar de mening van Dankbaar is een vonnis op basis van een valse aanklacht en meinedige verklaringen sowieso ongeldig, maar toch houdt hij zich voorlopig aan het vonnis, dat hij in een bodemprocedure wenst te bestrijden. Dankbaar brengt in herinnering dat het vonnis slechts een voorlopige voorziening is, in het kader waarvan Mustafa een voorschot op schadevergoeding kreeg toegewezen in anticipatie op een door Mustafa te entameren civiele procedure. Het bevreemdt Dankbaar dat Mustafa deze bodemprocedure nog niet is begonnen.
  3. Volgens Dankbaar maakt Mustafa misbruik van recht door op deze manier te trachten een groot bedrag te innen op basis van vermeend verbeurde dwangsommen, terwijl hij ook een voorschot op door hem in het kader van een bodemprocedure te verkrijgen schadevergoeding heeft ontvangen. Dankbaar vraagt zich af of het ooit werkelijk de bedoeling van Mustafa is geweest om een bodemprocedure over schadevergoeding te beginnen en of het kort geding niet een doel op zichzelf was, niet zozeer vanwege het daarin gevorderde voorschot op schadevergoeding, maar vooral vanwege de gevorderde dwangsommen en het kennelijke doel die dwangsommen ten onrechte als verbeurd op te eisen.
  4. Om die reden heeft hij dan ook een executiegeschil aanhangig gemaakt bij de rechtbank te Rotterdam om op die manier te bewerkstelligen dat Mustafa zou overgaan tot opheffing van het inmiddels ten laste van Dankbaar onder zijn moeder gelegde beslag terzake € 100.000 vermeend verbeurde dwangsommen. Vlak voorafgaand aan de zitting in het executiegeschil d.d. 4 november 2019 is namens Mustafa een vordering in reconventie ingediend. Die reconventionele vordering hield  in dat Dankbaar bepaalde artikelen van zijn website moest verwijderen en dat hem opnieuw werd gelast niet meer te publiceren over Mustafa en diens betrokkenheid bij en/of wetenschap van de moord op Marianne Vaatstra in 1999.
  1. In het vonnis van 18 november 2019 zijn alle vorderingen in conventie van Dankbaar afgewezen en alle vorderingen van Mustafa in reconventie toegewezen. Dankbaar is het met dat vonnis vanzelfsprekend niet eens en brengt tegen het vonnis onderstaande grieven naar voren:

 

Grief 1

  1. De voorzieningenrechter heeft niet of althans onvoldoende rekening gehouden met de omstandigheid dat het kort gedingvonnis van 9 mei 2018 gebaseerd op meinedige verklaringen van Mustafa, alsmede op de inbreng van door hem zelf vervalste verklaringen van zijn vermeende compagnons.

 

Toelichting

  1. De gehele aangifte die aan het vonnis van 9 mei 2018 ten grondslag lag, was vals. Niet voor niets heeft Dankbaar naar aanleiding van deze aangifte van Mustafa zelf aangifte tegen Mustafa gedaan van het doen van valse aangifte. Dit punt is tijdens de zitting op 4 november 2019 door Dankbaar nog eens duidelijk naar voren gebracht, niet zozeer om daarmee dat vonnis uit 2018 aan te vechten, want daartoe biedt een executiegeschil uiteraard niet de gelegenheid, maar wel om aan te geven op welke manier Mustafa tegen Dankbaar aan het procederen is, waarbij middelen als vervalsing en onterechte strafrechtelijke aangiftes kennelijk niet worden geschuwd. In het vonnis is hierover niets terug te vinden. 
  1. Indien de voorzieningenrechter deze opmerkingen van Dankbaar op waarde had geschat, zou dat zeker gevolgen hebben kunnen hebben op de inhoud van het vonnis. Een rechter zal executoriale beslagen, die blijken te zijn gelegd op basis van een vonnis dat op basis van bepaalde valse verklaringen tot stand is gekomen immers eerder met de nodige argwaan bekijken dan in het geval deze opmerkingen over de grondslag van de gelegde beslagen niet zouden zijn gemaakt.   

Grief 2

  1. Ten onrechte heeft de voorzieningenrechter in het vonnis met geen woord gerept over de opmerkingen van Mustafa aan het eind van de zitting van 4 november 2019, laat staan aan die opmerkingen enig gevolg gegeven. 

Toelichting

  1. Aan het einde van de zitting van 4 november 2019 vroeg de voorzieningenrechter aan Mustafa of hij wellicht nog iets wilde zeggen of toelichten, omdat hij tijdens de hele zitting niet of nauwelijks aan het woord was geweest. Bij die gelegenheid heeft Mustafa het volgende naar voren gebracht:

Ik heb vanaf dag 1 verteld wat ik weet over de zaak.

en:

Vanaf dag 1 heb ik gezegd: ik ben bereid om mee te werken en wel volledig.

 

  1. Het opvallende is, dat Mustafa hiermee zijn eigen (meinedige) verklaringen tijdens de kort gedingzitting van 25 april 2018 (welke zitting heeft geleid tot het eerdergenoemde vonnis van 9 mei 2018) tegenspreekt. Op die zitting zijn Mustafa door de voorzieningenrechter drie vragen gesteld, die hij toen alledrie ontkennend heeft beantwoord. Dat waren de volgende vragen:

 

  • Weet u uit eigen waarneming iets over de moord op Marianne Vaatstra?
  • Bent u getuige geweest van de moord op Marianne Vaatstra?
  • Heeft u ooit tegen iemand gezegd dat u getuige was van de moord op Marianne Vaatstra?

 

Geheel in tegenstelling tot zijn ontkennende beantwoording op 25 april 2018 zei Mustafa op 4 november 2019 geheel vrijwillig (er werd hem door de voorzieningenrechter immers de open vraag gesteld of hij nog iets had toe te voegen) dat hij wel degelijk iets weet over de zaak en bovendien dat hij dat vanaf dag 1 al heeft verteld. Met dag 1 bedoelt Mustafa, zo begrijpt Dankbaar dat tenminste, de datum van de moord op Marianne Vaatstra, 1 mei 1999. Uit de opmerkingen van Mustafa ia in ieder geval af te leiden dat hij kennelijk toch iets weet over de zaak en dat hij vanaf het begin bereid was om mee te werken. Iemand die geen getuige is van een misdrijf (dat is wat Mustafa beweerde op 25 april 2018) maakt dit soort opmerkingen niet. Iemand die van niets weet kan immers niet vertellen wat hij weet en het heeft evenmin enig nut als die persoon bereid is om mee te werken aan het onderzoek.

 

  1. De opmerkingen van Mustafa ter zitting van 4 november 2019 hadden de voorzieningenrechter op zijn minst tot nadenken moeten bewegen. Waarom zegt iemand die een ander wil laten veroordelen tot (onder meer) een contact- en publicatieverbod in 2018 het één, terwijl hij tijdens een executiegeschil naar aanleiding van de inmiddels verkregen contact- en publicatieverboden het ander zegt? Dat is op zijn zachtst gezegd merkwaardig, zou tot nadenken moeten stemmen en zou op zijn minst tot een overweging in het vonnis hebben moeten leiden. Indien de voorzieningenrechter alerter zou zijn geweest, was de betekenis van de inhoud van deze opmerkingen van Mustafa hem opgevallen. In dat geval zou hij zich hebben kunnen realiseren dat hem door partijen werd gevraagd de executie te beoordelen van een vonnis, dat met de opmerkingen van Mustafa in een geheel ander licht kwam te staan. Nog steeds was hij dan natuurlijk gebonden geweest aan de beperkingen die als rechter in het executiegeschil nou eenmaal voor hem gelden, maar van een nieuwe dwangsomveroordeling in reconventie zou hij dan toch zeer waarschijnlijk hebben afgezien. Kortom: als de rechter de opmerkingen van Mustafa op hun merites had beoordeeld, zou er op 18 november 2019 hoogstwaarschijnlijk een heel ander vonnis zijn gewezen.

 

Grief 3

  1. Ten onrechte heeft de voorzieningenrechter de door Mustafa gestelde overtredingen van het vonnis van 9 mei 2018 door Dankbaar als voldoende grondslag voor het gelegde executoriale beslag beschouwd.

 

Toelichting

  1. De voorzieningenrechter heeft de vordering van Dankbaar tot opheffing van het gelegde executoriale beslag in conventie afgewezen. Dat heeft hij gedaan naar aanleiding van de discussie ter zitting over de vraag of de plaatsing door Dankbaar van de rectificatie gedurende drie weken voldoende was om aan het vonnis te voldoen. Dankbaar heeft duidelijk aangegeven waarom het geplaatst houden van de rectificatie voor de duur van drie weken voldoende was om alle mogelijke bezoekers van de website van Dankbaar te kunnen bereiken en waarom het langer geplaatst houden van de rectificatie geen enkel doel zou dienen. Mustafa heeft daartegen ingebracht dat de rectificatie voor onbepaalde tijd gehandhaafd zou moeten blijven, omdat daaraan in het vonnis geen tijdsbepaling was gebonden. De voorzieningenrechter heeft Mustafa in het gelijk gesteld en daarmee een enorme dwangsomveroordeling van Dankbaar gesanctioneerd, terwijl het doel van de veroordeling, het plaatsen van de rectificatie zodat bezoekers van de website daar kennis van zouden nemen, al lang was bereikt.

    De voorzieningenrechter oordeelde dat de veroordeling tot het plaatsen van de rectificatie dus zou moeten gelden voor onbepaalde tijd. Daardoor is nu het volkomen onredelijke resultaat bereikt dat Dankbaar ondanks het feit dat hij op adequate wijze heeft gerectificeerd toch het maximum aan dwangsommen heeft verbeurd. Dankbaar is het met de voorzieingenrechter oneens dat een rectificatieveroordeling zonder tijdsbepaling voor onbepaalde duur zou hebben te gelden. Dat is simpelweg onzinnig. Waarom zou iemand over twee jaar nog kennis willen nemen van een rectificatie die betrekking heeft op een vandaag op een website geplaatst artikel? Het is ook onzinng als men deze situatie vergelijkt met die waarin bijvoorbeeld een krant wordt veroordeeld tot het plaatsen van een rectificatie. Als een krant zonder tijdsbepaling wordt veroordeeld tot het plaatsen van een rectificatie staat een dergelijke rectificatie maar één dag in de krant en dat wordt dan ook voldoende geacht. Niemand zal van de krant verwachten om iedere opeenvolgende dag maar door te gaan met het plaatsen van dezelfde rectificatie. Met dat in het achterhoofd zijn de drie weken waarin Dankbaar de rectificatie geplaatst hield meer dan voldoende. Kortom: de rectificatie had haar doel bereikt en daarmee kon Dankbaar dus helemaal geen dwangsommen verbeuren. In dat vertrouwen heeft hij de rectificatie op ening moment van zijn website gehaald.

 

  1. In dit verband is overigens nog van belang te melden dat Mustafa na de verwijdering van de rectificatie niet onmiddellijk aan de bel heeft getrokken. Hij heeft na de verwijdering in stilte afgewacht totdat het maximale bedrag van € 100.000 aan dwangsommen was “volgelopen” en toen pas een deruwaarder op pad gestuurd. Dat is ook een dubieuze gang van zaken. Het lijkt erop alsof het Mustafa er niet zozeer om te doen was de rectificatie nog langer geplaatst te houden (die had zijn doel immers al bereikt), maar om in stilte veel geld aan dwangsommen te verdienen

Grief 4

  1. Ten onrechte heeft de voorzieningenrechter in conventie overwogen dat Mustafa voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat Dankbaar de volledige dwangsommen had verbeurd.

 

Toelichting

  1. Naast de veroordeling tot het plaatsen van een rectificatie was het Dankbaar in het vonnis van 9 mei 2018 verboden om enige publicatie naar buiten te brengen waarin Mustafa op enige manier in verband zou worden gebracht met de moord op Marianne Vaatstra. Volgens Mustafa zou Dankbaar het vonnis hebben overtreden door op 8 en 17 november 2018 artikelen op zijn website te hebben gepubliceerd, waarin hij uiteen zet dat Mustafa naar overtuiging van Dankbaar een valse aangifte heeft gedaan  en meinedige verklaringen heeft afgelegd tijdens de zitting van 25 april 2018.

 

  1. Omdat deze publicaties volgens Mustafa een overtreding van het vonnis van 9 mei 2018 inhielden, zouden volgens Mustafa ook vanwege deze overtreding van het vonnis dwangsommen zijn verbeurd. Een deel groot € 32.000 van de dwangsommen zou te maken hebben met het niet geplaatst houden van de rectificatie en een deel groot € 68.000 zou samenhangen met de op 8 en 17 november 2018 geplaatste artikelen. Tijdens de zitting van 4 november 2019 is namens Mustafa naar voren gebracht dat de deurwaarder zich zou hebben verrekend en dat eigenlijk het volledige bedrag van € 100.000 zou zijn volgelopen als gevolg van het niet geplaatst houden van de rectificatie. Wellicht heeft de voorzieningenrechter om die reden geen aandacht meer besteed aan de overige “overtredingen” van het vonnis d.d. 9 mei 2018, maar dat zijn wel twee overtredingen waarvan Dankbaar stelde dat ze geen overtreding van het vonnis inhielden en daarom niet zouden kunnen leiden tot verbeurte van enige dwangsom.

 

  1. Omdat wellicht ook Mustafa inzag dat de twee publicaties van november 2018 geen overtreding van het vonnis inhielden, is namens hem bij pleidooi naar voren gebracht dat de deurwaarder zich zou hebben verrekend en dat de periode dat de rectificatie niet geplaatst gehouden was zo lang was dat alleen al op die grond het maximale bedrag van € 100.000 aan dwangsommen zou zijn verbeurd. Het zou lood om oud ijzer zijn, hoe dan ook waren de dwangsommen tot het maximum van €100.000 verbeurd. Naar aanleiding van die opmerkingen in het pleidooi van de advocaat van Mustafa heeft de voorzieningenrechter in conventie geen aandacht meer besteed aan de andere door Mustafa gestelde overtredingen van het vonnis, maar zich beperkt tot het niet geplaatst houden van de rectificatie.

 

  1. Dit betekent dat over een deel van € 68.000 van de aan Dankbaar aangezegde dwangsommen door de rechter niet is besloten of deze nu wel of niet terecht waren verbeurd. Kennelijk is de voorzieningenrechter stilzwijgend meegegaan met de door de advocaat van Mustafa geponeerde stelling dat het lood om oud ijzer zou zijn en dat de volledige dwangsommen hoe dan ook waren verbeurd als gevolg van het niet lang genoeg geplaatst houden van de rectificatie. Daarmee heeft de voorzieningenrechter echter wel over een bedrag van € 68.000 aan als verbeurd aangezegde dwangsommen, waarvoor ook beslag is gelegd, geen uitspraak gedaan! De overweging in onderdeel 5.5 van het vonnis, inhoudend dat Mustafa voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de volledige dwangsommen zijn verbeurd, is dan ook zeer discutabel. Als men er inderdaad vanuit zou gaan dat de volledige dwangsommen enkel zijn verbeurd op grond van het niet geplaatst houden van de rectificatie, dan zijn de dwangsommen voor een deel van € 68.000 niet aangezegd en had daarvoor geen beslag mogen worden gelegd. Als men er daarentegen vanuit zou moeten gaan dat die € 68.000 aan dwangsommen samen zou hangen met de gestelde overtredingen op 8 en 17 november 2018, dan heeft de voorzieningenrechter over € 68.000 aan dwangsommen nu geen uitspraak gedaan. Hoe dan ook is het zeer de vraag of het deel van € 68.000 van de dwangsommen nu daadwerkelijk is verbeurd en of Mustafa daarop terecht aanspraak maakt.

 

Grief 5

  1. Ten onrechte heeft de voorzieningenrechter Dankbaar in reconventie tot nieuwe verboden/geboden veroordeeld en dat opnieuw op straffe van maximaal € 100.000 aan dwangsommen.

 

Toelichting

  1. Het kort geding van 4 november 2019 is door Dankbaar aanhangig gemaakt omdat hij van mening was en is dat hij geen dwangsommen had verbeurd, omdat hij het vonnis van 9 mei 2018 had nageleefd. Hoewel de discussie in conventie dus ging over de vraag of de dwangsommen nu wel of niet waren verbeurd, heeft Mustafa op slinkse wijze van het kort geding gebruik gemaakt door andermaal een dwangsomveroordeling tegen Dankbaar te vorderen van maximaal € 100.000. De voorzieningenrechter heeft die vordering toegewezen waardoor het maximum aan dwangsommen is verdubbeld van € 100.000 naar € 200.000. Het is zeer de vraag in hoeverre de voorzieningenrechter daartoe bevoegd was en of deze beslissing nog wel viel binnen de grenzen van hetgeen hij als rechter in een executiegeschil dient te beoordelen.

 

  1. Een executiegeschil gaat naar zijn aard over kwesties rond de executie van een vonnis, in dit geval de gelegde beslagen naar aanleding van de volgens Mustafa verbeurde dwangsommen ter grootte van € 100.000. In reconventie is de voorzieningenrechter niet gebleven binnen het kader van de beoordeling of die beslaglegging/executie al dan niet terecht was. Hij heeft daarentegen het vonnis dat aan de executie ten grondslag lag in die zin uitgebreid dat nieuwe verboden tegen Dankbaar zijn uitgesproken en daarnaast de dwangsomveroordeling is verdubbeld. Dankbaar heeft twijfels bij deze gang van zaken en wenst dit in hoger beroep getoetst te zien.

Grief 6

  1. Ten onrechte is de voorzieningenrechter ervan uitgegaan dat Dankbaar bepaalde gelden van zijn moeder tegoed heeft, waarop executoriaal derdenbeslag mocht worden gelegd.

 

Toelichting

  1. Op geen enkele manier heeft Mustafa aannemelijk weten te maken dat Dankbaar bepaalde gelden van zijn moeder tegoed zou hebben. Dat kan ook helemaal niet, want Dankbaar heeft geen vorderingen op zijn moeder. Sterker nog: Dankbaar heeft een schuld bij zijn moeder. Er is onder zijn moeder dus helemaal geen positief vermogensbestanddeel waarop ten laste van Dankbaar beslag kan worden gelegd. Als ouder vrouw die volledig buiten de tussen partijen aanhangige procedures staat vormt het beslag bovendien een onevenredig zware emotionel belasting. Hoe dan ook: zo lang Mustafa niet aannemelijk kan maken dat Dankbaar enige vordering op zijn moeder zou hebben is voor derdenbeslag geen plaatst en alleen daarom al dient het te worden opgeheven.

 

Bewijsaanbod

 

  1. Voor zover in deze appèlprocedure enige bewijslast op hem rust, is Dankbaar bereid al zijn stellingen te bewijzen door middel van getuigen en geschriften.

 

 

CONCLUSIE

 

Appellant verzoekt het gerechtshof:

 

  1. Het vonnis van de vonnis van de rechtbank Rotterdam d.d. 18 november 2019 te vernietigen, en, opnieuw recht doende, te bepalen de vorderingen van appellant alsnog moeten worden toegewezen en de vorderingen in reconventie van geïntimeerde moeten worden afgewezen.
  2. Geïntimeerde te veroordelen in de kosten van het geding in beide instanties.

Advocaat

Over Wim Dankbaar

researcher/publicist/ondernemer
Dit bericht werd geplaatst in Marianne Vaatstra. Bookmark de permalink .

Een reactie op Memorie van grieven tegen Faek Mustafa

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s