Jasper S.: Zijn verklaringen in de Zaak Marianne Vaatstra (deel I)


Het is aan te raden om bij het beluisteren van deze audio – in verband met de geluidskwaliteit – het onderstaande transcript mee te lezen, zodat u geen woord ontgaat.

De rechtszitting, een integraal verslag

Ruim voor aanvang van de zitting is er door het OM een stringent film- en opnameverbod afgekondigd. Begrijpelijk, want de kans dat Jasper op de zittingen dingen gaat zeggen of roepen die het hele leugen-bolwerk van zijn ‘daderschap’ subiet zouden doen instorten moest zeer groot worden geacht. Als dit gebeurt, mag dat uiteraard niet naar buiten komen. Jan Vlug heeft om het ‘daderschap’ van Jasper overeind te kunnen houden, althans pogingen daartoe te doen, een unieke constructie bedacht: Jasper Steringa heeft aangegeven geen verklaring af te leggen als zijn stem wordt opgenomen… Het OM stelde zich op het standpunt dat al te veel privé-gevoelige informatie van en over Marianne bloot zou komen te liggen. Het zou haar nalatenschap bezoedelen. Zij zou dat zelf niet gewild hebben. Een vreemde redenering omdat zo ongeveer alles wat privé is aan de persoon van Marianne op tal van manieren in de pers is geweest. Peter R. de Vries afficheerde Marianne zelfs als een slet die met de eerste de beste onverlaat mee het weiland in liep. Om een sigaretje te roken. Om wat te zoenen of te vrijen. Om seks te hebben. Het was allemaal geen probleem om dat op zondagavond op prime time een paar miljoen huiskamers binnen te slingeren. We begrepen al snel waarom er geen camera’s tijdens het proces van Jasper aanwezig mochten zijn. Omdat iedereen dan direct door zou krijgen dat deze man een valse verklaring aflegt. In het verslag van de zitting rijgen de vele voorbeelden daarvan zich aaneen. Uit de ondervraging van Jasper maar ook uit de alleszeggende interrupties van Jan Vlug. De analyses zijn cursief afgedrukt.

 

De rechtszaak begint

 

Voorzitter: De feiten! Even een totaaloverzicht, een globaal overzicht. Het is dan Koninginnedag , 30 april 1999. Marianne moest bij de Poiesz supermarkt in Zwaagwesteinde werken en kon dus niet aan de festiviteiten van de dag zelf deelnemen, maar had besloten ’s avonds naar Kollum te gaan waar zij haar vriend Spencer Sletering zou ontmoeten.

 

Marianne is toen gebracht door broer Johan naar Kollum ’s avonds na haar werk en zij ontmoet daar Spencer. Naast Spencer ook Wietze Steenstra. En op een gegeven moment gaat men naar het station Buitenpost. Men kletst daar nog wat. Marianne geeft dan aan dat ze naar huis wil, er vindt een discussie plaats, als ik dat uit de getuigenverklaringen goed gedestilleerd heb, dat Marianne wel alleen naar huis wil fietsen. Daar is wat discussie over geweest. Men is toch met haar opgefietst naar De Swadde, dat zijn de sportterreinen in Buitenpost, en daar wordt uiteindelijk afscheid van elkaar genomen. Daar besluit Marianne om in haar ééntje door te fietsen. Waarheen is niet geheel duidelijk. Of dat nou de Ringo Bar geweest kan zijn in Veenklooster, dan wel helemaal naar Zwaagwesteinde, dat zullen we niet weten. Wat we wel weten is dat er dan een soort zwart gat ontstaat wat al die jaren zal duren. Wat er gebeurt is, dat de ouders Vaatstra de volgende ochtend tot de ontdekking komen dat Marianne niet thuis is gekomen. En dat lag niet in de aard van Marianne, om onaangekondigd elders te blijven slapen. Want dat zou dan het alternatief geweest moeten zijn. Maar niemand weet waar ze is en de politie wordt ingeschakeld. Dat is ongeveer om 10 uur ’s ochtends. De vermissing van Marianne wordt dan doorgegeven en om 10 uur spreekt de politie met de ouders van Marianne en met haar broer. Wat de politie ook duidelijk wordt is dat de avond daarvoor een bezoek aan Paradiso wordt gebracht. Spencer Sletering wordt genoemd als vriend. En kort daarna komt het bericht binnen dat er een fiets is aangetroffen op de Keningswei en die fiets, die wordt herkend als de fiets waarop Marianne is vertrokken, inmiddels in de nacht van 1 mei.

 

Dat is een buitengewoon verontrustend gegeven. Men gaat zoeken in de weilanden en uiteindelijk treft men haar daar aan. Dan is zij nagenoeg geheel ontkleed en ligt ze op haar buik, hand op de rug en het is op dat moment al vrij snel duidelijk dat Marianne op dat moment al was overleden.

 

De hand op de rug is een aanwijzing dat Marianne geboeid is geweest met haar handen op haar rug. Deze boeien zouden dan bij het dumpen van haar dode lichaam in het weiland verwijderd kunnen zijn, waarbij één hand op haar rug is blijven liggen en de andere arm naast haar lichaam is gevallen.

 

Ter plaatse zijn op een gegeven moment Gerrit Alma, Wietze Steenstra, Spencer Sletering. En Hans Veenstra is degene die haar gevonden heeft.

 

Dit zijn twee onwaarheden. Wij weten dat Wietze Steenstra er niet bij was. Gerrit Alma is alleen met Spencer gaan zoeken. Dat Wietze Steenstra erbij was, is een leugen die door Spencer en zijn vader gecreëerd is. Hans Veenstra ontdekte Marianne weliswaar als eerste, maar hij zag haar van een afstand door de bomen liggen en durfde niet te gaan kijken. Gerrit en Spencer zijn de eersten geweest die bij het lichaam arriveerden en haar wonden constateerden.

 

De vader komt ter plaatse en die zegt dan woordelijk: Ik krijg haar niet meer thuis, want ze hebben haar de hals uitgesneden. Dat is de situatie en dan start er een groot onderzoek. Dat onderzoek betekent in eerste instantie het horen van allerlei getuigen. En uiteraard natuurlijk de ouders. Vader wordt gehoord en die moet dan bevestigen: Ja, ik herken de vrouw die in het land lag, dat was mijn dochter. Hij vertelt hoe Marianne thuiskwam, ze is door Johan naar Kollum gebracht en normaal gesproken komt Marianne dan met een taxi thuis. Spencer deelt dan mee aan vader wat er is gebeurd bij die voetbalvelden, dat men daar afscheid heeft genomen en dat Marianne alleen verder is gegaan. Aafie Kloosterman, de vriendin van Marianne wordt geïnformeerd en vader Vaatstra vertelt ook over zijn tocht naar het weiland en het horen roepen van mensen dat zij is gevonden. Hij springt dan over de sloot en hij treft Marianne daar aan zoals ik dat net aangaf. Vader vertelt nog: Marianne ging nooit op de fiets naar huis en Marianne was ook altijd erg bang in het donker.

 

Wie ook gehoord is, dat is Spencer. Want Spencer en Wietze, ja, dat zijn toch de laatste mensen die behalve de dader, contact met haar hebben gehad. Spencer zegt dan ook van Marianne: Ja, dat is een meisje die haar mondje wel kan roeren. Die is niet echt bang en dat was vrijdag ook zo. Wietze en ik fietsten met haar mee en toen zei ze op een gegeven moment dat wij niet meer mee hoefden. Ze hebben haar alleen maar bier zien drinken. Hij verklaart nog dat softdrugs niet in het spel zijn. Die gebruikte ze niet. En hij geeft aan dat Marianne op enig moment achterop de fiets is gesprongen en mee is gefietst. Hij denkt dat ze om half 2 uit Kollum zijn vertrokken. En bij de sportvelden gaf Marianne aan dat zij niet meer mee hoefden te fietsen. Daar is discussie over geweest. Géén ruzie.

 

Dat er geen ruzie is geweest, is een leugen van Spencer. Volgens Gerrit Alma is het eerste wat Spencer tegen Gerrit zei dat hij de vorige avond ruzie met Marianne had gehad.

 

Voorzitter: En hij weet niet of Marianne toen nog het plan had om naar de Ringo Bar te gaan of niet. Marianne had weliswaar wat drank op maar ze was niet anders dan anders, zo verklaart hij.

 

Deze verklaring van Spencer is potsierlijk. Welke onverlaat laat zijn verliefde vriendin ’s nachts alleen door het donker naar huis fietsen? Neem daarbij ook in aanmerking dat hij de ouders van Marianne beloofd had een taxi te betalen om haar veilig thuis te laten komen.

De vader van Spencer zegt dat hij rond half drie is thuisgekomen. Hij denkt dus dat hij rond 2 uur afscheid heeft genomen van Marianne. Nou, en hij vertelt dan ook verder van de zoektocht, en dat hij Hansje aantrof, die dus volledig overstuur was dat hij Marianne had aangetroffen. Wietze legt ook een verklaring af en hij verklaart ook over deze avond wat er tot op het moment van het afscheid nemen gebeurd zou zijn. Een opmerking van Wietze die ik er even uitlicht: Wietze zegt: Marianne was goed gebekt. Op momenten dat zij werd lastig gevallen, wist zij die personen wel af te schepen. Ik noem deze passages uit de getuigenverklaring, omdat we in de rest van het verhaal toch wel wat vraagtekens hebben over hoe en wat is er gebeurd, en bij deze overigens heel weinig tegenstand of verzet van Marianne. Uit deze verklaringen wordt een beetje het beeld geschapen dat zij, zij het dan dat vader zegt dat ze bang was in het donker, maar dat zij zich verder wel goed kon weren. Hij komt ook met het verhaal dat Marianne tot zes uur ’s avonds moest werken. Men treft haar dan ’s avonds bij Paradiso. Ook hier na middernacht verplaatst men zich naar het station Buitenpost en Marianne gaf aan dat ze naar huis wilde en dat ze ook naar huis wilde fietsen. En ondanks het feit dat ze normaal gesproken niet alleen naar huis gaat, wilde ze dat deze keer wel. Waarom ze alleen naar huis wilde gaan, dat wist hij niet. In ieder geval, van ruzie of zoiets, was geen sprake.

 

Hier wordt de leugen van Spencer herhaald: Geen ruzie! De vraag waarom Marianne alleen naar huis wilde fietsen, wordt ook niet beantwoord. Welke jongen wil niet weten waarom zijn verliefde vriendin, die bang is in het donker, per se alleen verder wil fietsen?

 

Op aandringen hebben ze Marianne begeleid richting Veenklooster. Gedrieën zijn ze de Jeltingalaan opgereden richting Veenklooster en ter hoogte van het sportcomplex De Swadde zijn ze weer gestopt. Er ontstond nog één keer een discussie of men haar nu wel of niet naar huis moest begeleiden en Marianne gaf aan dat ze dat niet wilde. Wietze zegt: Dat is ongeveer kwart voor twee tot twee uur geweest, het moment van afscheid. Nou, dat kan van belang zijn voor het tijdstip waar we het later dan nog over gaan hebben. Ik haal dan kort nog aan de verklaring van de toenmalige hartsvriendin van Marianne, en dat is Aafie Kloosterman, die ook weer zegt: Marianne dat was een mondig persoon en die liet in elk geval niet met zich sollen. Ze reisde niet alleen en soms ging ze met de trein naar Buitenpost om haar vriend Spencer te ontmoeten en gezamenlijk kwamen ze dan altijd in Veenklooster. En altijd ging Marianne dan weer met ons in een taxi naar huis terug, want ze reisde nooit alleen. Ze heeft het dan ook nog over een handgemeen, een keer in een bar. En ik haal dat ook weer aan om even aan te geven dat Marianne volgens getuigen iemand was die zich wel kon weren. Zij vertelt dan dat Marianne ook overdag moest werken in de supermarkt en dat broer Johan haar ’s avonds naar Kollum heeft gebracht. Haar vriend Hans Veenstra, ook die legt een verklaring af. Hij praat over zijn zoektocht, we zitten dan op de volgende ochtend. Er begint dan toch enige paniek te ontstaan, want Marianne is niet thuisgekomen en slaapt ook niet bij vrienden of vriendinnen. Ze zoeken dan en hij rijdt dan met zijn auto over het fietspad en men treft de fiets aan. Een zwarte herenfiets, het stuur in de richting van Veenklooster. Aafie belt dan met Spencer en Spencer bevestigt: Ja, ze is inderdaad gisteravond op een zwarte herenfiets vertrokken.

 

Ook dit is onjuist. Spencer heeft tegen Aafie gezegd: Hoe moet ik dat weten? Dan moet ik hem (de fiets) eerst zien.

 

Spencer komt naderbij en gaat zoeken. In het weiland ziet men dan nog twee mannen die verderop in het veld zitten. Men gaat ernaar toe, omdat die fiets ter hoogte van het weiland lag. Aan het eind van het veld, zo verklaart Hans, maakt de boomwal een bocht, en daar is een verhoging, een soort dijkje. Ik ben op dat dijkje gaan staan en toen zag ik achter de boomwal iets wits in het gras liggen. Ik wist niet wat dat was, maar ik zag op een gegeven moment wel dat het een mens was. Hij loopt er dan heen en ziet dat het Marianne was. Hij vertelt hoe ze erbij lag, voorover op haar buik, bijna helemaal naakt, de broek zat nog om haar linkerenkel. Ik zag dat haar linkerarm op haar rug lag. De andere arm had zij gewoon naast haar. Hij raakt dan in paniek, begint te schreeuwen en te huilen en dan komt iedereen erbij. Hij voelt nog aan haar pols, maar die was zodanig koud, dat hij wel wist: zij leeft niet meer. Dan komen de vader en ook de broer erbij. Freddy, de broer, ook die legt een verklaring af. Hij zegt: Ik kan mij niet voorstellen dat zij zich zomaar heeft laten overrompelen.

 

Jittie Postma legt een verklaring en zij geeft aan, en dat gaat later in het onderzoek ook een punt van discussie worden, namelijk de ongesteldheid van Marianne. Zij vermoedde dat Marianne ongesteld was en dat zij waarschijnlijk een tampon heeft ingehad. En die zal later ook een rol spelen. Heel vreemd vindt Jittie het dat Marianne die bewuste avond alleen op de fiets naar huis ging. Dat is eigenlijk wel de rode draad in het hele verhaal. Zij is niet iemand die normaal gesproken benauwd is maar aan de andere kant zou zij niet alleen naar huis fietsen.

Dat is dan de situatie. Er wordt een groot onderzoek opgestart. Een regionaal bijstandsteam. Dat lukt allemaal niet. Men komt niet aan gegevens die leiden tot de dader. Er wordt een second opinion gevraagd. We zitten dan in januari 2002. Team grootschalig onderzoek, dat wordt dan in juni 2002 gestart. Cold case-team, Leeuwarden, krijgt de zaak op een gegeven moment. Het 3D-team dat medio 2007 van start gaat en uiteindelijk, en dat zal de doorslag geven, of heeft de doorslag gegeven: De wetswijziging van april 2012, dat maakt het verwantschapsonderzoek mogelijk.

 

Voorzitter: Wat dacht u toen u dat hoorde, van dat verwantschapsonderzoek?

Jasper: Uh… ik besefte mij dat ik daar als dader uit voort zou komen.

Voorzitter: Dat wist u?

Jasper: Ja. Er woont voldoende familie binnen die straal van 5 kilometer uit het onderzoek. Ik ken mijn familie voldoende, dus ik wist dat zij mee zouden doen aan het onderzoek.

Voorzitter: Dus toen bent u eruit gekomen en heeft u gedacht: Nu is het doek voor mij gevallen. Moet ik het zo zien? Of had u nog hoop?

Jasper: Uh… Nee, het besef dat het verwantschapsonderzoek het laatste bedrijf zou zijn, dat had ik toen wel.

Voorzitter: Mmm, toch wordt u bij uw aanhouding, staat u nog volop in het bedrijfsleven, hoe dat dan ook was op dat moment. We zien geen enkele voorzorgsmaatregel. Eén van uw medewerkers is opgevallen dat als hij van u afscheid nam en zei ‘tot morgen’ of ‘tot volgende week’, u zei: ‘Ja dat zullen we wel hopen.’ Had dat ermee te maken? Die opmerking?

Jasper: Ja.

Voorzitter: Ja, heeft u overwogen om naar de politie te gaan? Vooruitlopend op het onderzoek? Of gokte u op een fout in het onderzoek?

Jasper: Uh… Ik heb de afgelopen 13, bijna 14 jaar, meerdere malen overwogen om wel naar de politie te gaan, maar uh… iedereen heeft kunnen zien wat voor ophef het gemaakt heeft. Ik heb in 1999 besloten om mij stil te houden. Mijn daad heeft de familie Vaatstra… in… uh… ik kan de woorden niet vinden. Uh… Ik heb de familie Vaatstra in het verderf gestort. Ik kon dat niet meer veranderen… Ik kon de zaak niet terugdraaien en ik heb besloten dat ik dat mijn familie wou besparen. Wij hebben twee kinderen, die waren toen 5 en 8 jaar oud. De kinderen die gingen een moeilijke periode tegemoet, de tienerleeftijd is moeilijk. Een ouder in de gevangenis, ik zie het nu om me heen gebeuren, nu ik in de gevangenis zit. Dat er jonge kinderen meekomen tijdens het bezoek. En hoe moeilijk dat is, zowel voor de ouders als voor de kinderen. Uh… het heeft mij er altijd van weerhouden om naar de politie te gaan.

 

Voorzitter: En dan komt die wetswijziging, en dan is dat verwantschapsonderzoek mogelijk, en dan zegt u: Nu valt het doek.

Jasper: Ja, en ik had toen… ik had er zolang mee rondgelopen, en ik had niet meteen de moed om te zeggen: Hoeft niet, ik heb het gedaan.

 

Merkwaardig. Jasper laat dus eerst miljoenen belastinggeld verslinden aan een grootschalig verwantschapsonderzoek, voordat hij besluit in het eerste gesprek met zijn advocaat te bekennen.

 

Voorzitter: Goed, we komen daar in een later stadium op terug, de omstandigheden en de afwegingen die u heeft gemaakt. Of dat verstandige afwegingen zijn, daar zullen we het nog over hebben, maar goed u zegt nu in ieder geval: Ik zag het aankomen maar ik durfde niet naar de politie te gaan. Goed, die wetswijziging en dat onderzoek vinden plaats. Het resulteert in ieder geval tot uw aanhouding die avond, de late zondagavond van 18 november 2012 en dat kwam dus niet onverwacht, denk ik dan?

Jasper: Uh… het kwam niet onverwacht. En toch het moment zelf was toch onverwacht. Uh… het was donker en toch, ik liep met mijn gedachten bij mijn werk over het erf. En toen kreeg ik ineens een arrestatieteam in mijn nek. Dat moment was toch onverwacht maar dat was maar een moment.

Voorzitter: En toen had u niet de behoefte om te bekennen op dat moment?

Jasper: Er is mij toen op dat moment niets gevraagd.

 

Raar, de advocaat Jan Vlug vroeg ook niet naar een bekentenis, maar toch bekende Jasper tegenover hem in het eerste gesprek. Althans, zo moeten we geloven van Jan Vlug.

 

Voorzitter: En de volgende dag wel.

Jasper: De volgende dag wel, maar ik heb op advies van mijn raadsman mij op mijn zwijgrecht beroepen.

Voorzitter: Oké, dat is ook uw goed recht.

Advocaat Jan Vlug: We komen daar straks nog uitgebreid op terug wat daar de overwegingen van zijn geweest.

Voorzitter: Ik stel het vast. U heeft hier toen in deze zaal op 5 december een bekennende verklaring afgelegd. Daarna heeft u bij de politie verder openheid van zaken gegeven. Zo is die volgorde dan?

Jasper: Correct.

 

Jasper heeft pas opening van zaken gegeven nadat hij twee weken door de hel van beperking is gegaan. Dat is vreemd. Hij zou meteen bekend hebben aan de raadsman, maar op diens advies wil hij wel nog twee weken door de hel van beperking gaan, waarin hij zich al die tijd op zijn zwijgrecht heeft beroepen?

 

Voorzitter: Ja. Goed, ik wil naar uw verklaringen. Ik heb u een aantal verklaringen uit het verleden voorgehouden. Ik ga naar uw eigen verklaring toe. 30 april, maar nou ga ik naar u toe, dus niet Spencer, niet Steenstra, maar meneer Steringa. 30 april, avond, u bent aan het melken geweest. Kunt u eens aangeven hoe die avond na het melken eruit zag?

Jasper: Uh… Het melken was voor een Friese boer op een laat tijdstip klaar.

Voorzitter: Hoe laat was u klaar?

Jasper: Tijdstippen kan ik u niet exact geven, ik kan het mij niet herinneren. Wij waren normaal niet voor tienen, soms elven, in huis.

Voorzitter: Dat was normaal. En die avond 30 april?

Jasper: Dat was niet anders.

Voorzitter: U zegt wij. Wie is wij?

Jasper: Als ik over wij spreek, spreek ik in dit geval over mij en mijn vader. Wij runden het bedrijf in een maatschap.

Voorzitter: Goed tien, elf uur. En toen? Wat ging u in het woonhuis doen?

Jasper: Ik heb eten klaargemaakt. Brood. ’s Middags rond 4 uur dan maak ik brood en drink ik thee en dan gaan wij weer aan het werk. Mijn volgende maaltijd is niet eerder dan ’s avonds na de arbeid.

Voorzitter: Dus tien, elf uur eet u ’s avonds.

Jasper: Ja, ik heb brood gesmeerd, ik heb koffie gepakt, ik heb mijn brood opgegeten en de krant gepakt en doorgelezen.

Voorzitter: Hoe laat is het dan bij benadering als u van de algemene situatie uitgaat.

Jasper: Al snel twaalf uur.

Voorzitter: Ga verder.

Jasper: Mijn vrouw en kinderen, de kinderen lagen al op bed waarschijnlijk, mijn vrouw is op enig moment naar bed gegaan. Ik heb gemeld dat ik beneden zou slapen omdat er een koe kon afkalven. Dan ga ik daar ’s nachts naar toe om polshoogte te nemen. Ik had dat al een aantal nachten gedaan.

Voorzitter: U slaapt dan beneden. En 30 april? U had gegeten, u had de krant uit en ging bij de koe kijken, stel ik me zo voor?

Jasper: Nee, ik heb me eerst te rusten gelegd en op een zeker moment, waarschijnlijk half twee, kwart voor twee, liep de wekker af en ben ik naar de stal gegaan. Pin mij niet vast op tijdstippen want ik weet ze niet meer.

Voorzitter: Wat mij opvalt meneer Steringa, is dat u nu zegt: Dat moet ongeveer half twee geweest zijn. U heeft het over een wekker die afloopt. Als ik uw verklaring bij de politie aanhoud, dan zegt u: Hoe laat ik ben weggegaan, dat weet ik niet. En hoe laat ik heb gefietst, dat weet ik ook niet. Maar nu krijg ik wel een beetje de indruk dat u wel weet hoe laat u bent weggegaan.

Jasper: Nee, het tijdstip van half twee, kwart voor twee, noem ik omdat ik de wekker meestal rond die tijd zet als ik ’s nachts op moet staan.

Voorzitter: Dus u zegt: Ik herinner mij dat niet, maar normaliter zet ik de wekker en die loopt dan rond half twee, kwart voor twee af. Moet ik het zo begrijpen?

Jasper: Ja.

Voorzitter: Maar of het op die avond is gebeurd, dat weet u niet.

Jasper: Nee.

Voorzitter: Dus u zegt eigenlijk: De verklaring die ik bij de politie heb afgelegd, dat is de meest juiste. Hoe laat ik ben weggegaan, dat weet ik niet. Dat zegt u bij de politie.

Jasper: Dat klopt, dat is het meest juiste.

Voorzitter: Kunt u ook eerder weggegaan zijn? Bestaat die mogelijkheid?

Jasper: Nee, ik ben niet eerder weggegaan omdat ik tussentijds heb liggen slapen.

Voorzitter: Dat herinnert u zich ook? Dat weet u?

Jasper: Ja.

Voorzitter: En weet u ook dat er een wekker afgegaan is?

Jasper: Ja.

Voorzitter: Dat mis ik in uw verklaring bij de politie. En dan? Die wekker loopt af en dat zal dan rond half twee, kwart voor twee kunnen zijn. Wat gebeurt er dan?

Jasper: Dan sta ik op, ik trek mijn werkkleren aan en ik ga naar de stal. En dan zoek ik de bewuste koe op en ik kijk hoever het afkalfproces is.

Voorzitter: Dat heeft u gedaan. Hoeveel tijd nam dat in beslag?

Jasper: Er was niets loos met die koe dus dat was een kwestie van vijf minuten.

Voorzitter: Een beetje boer ziet dat in één oogopslag, dus u dacht: Dat kan nog wel een tijdje duren. En toen?

Jasper: Toen ben ik weer richting het woonhuis gelopen. Met in eerste instantie de intentie om de nacht voort te zetten, te gaan slapen, maar ik heb mij bedacht. Ik heb mijn fiets gepakt, ik ben het erf afgereden en ik ben gaan fietsen.

Voorzitter: Hoe laat is het dan, denkt u? Als het normaliter geweest zou zijn, zou het rond kwart voor twee, twee uur geweest moeten zijn?

Jasper: Ja, maar ik heb zopas al gezegd: Pin mij niet vast op tijdstippen, want ik weet ze niet.

 

Jasper houdt dus min of meer vol dat hij rond kwart voor twee, twee uur is gaan fietsen. Marianne zou toen al afscheid hebben genomen van Spencer en Wietze. Hier klopt de tijdlijn al niet meer, want zelfs al zou het afscheid rond twee uur hebben plaatsgevonden, dan kan Jasper onmogelijk rond dat tijdstip Marianne zijn tegengekomen bij de sportvelden. Als Spencer om half drie thuis was (volgens zijn vader) en eerst nog met Wietze een broodje shoarma in Buitenpost heeft gegeten, dan ligt het tijdstip van afscheid eerder rond half twee. Hiermee wordt het nog onmogelijker dat Jasper Marianne is tegengekomen. Hij moet immers ook nog enkele kilometers fietsen om bij de sportvelden te komen.

 

Voorzitter: Nee. De route? Welke weg heeft u afgelegd?

Jasper: Geen idee. Je kunt bij mijn boerderij heel veel kanten op en uh… Ik was in gedachten en de route kan ik mij niet meer herinneren.

 

Dat is gek, want later zal Jasper zich specifiek herinneren dat hij Marianne is tegengekomen op de Jeltingalaan ter hoogte van de sportvelden.

 

Voorzitter: Maar de gebeurtenis in de vroege ochtend van 1 mei, moet op u een impact gehad hebben. Het is lastig te plaatsen, maar misschien kan het wel bijdragen dat u weet welke route u heeft afgelegd.

Jasper: Uhm… het is bijna 14 jaar geleden, meneer de voorzitter.

Voorzitter: Maar ik lees ook in de stukken dat u elke dag aan Marianne denkt. Dan kan ik mij ook voorstellen dat die gebeurtenis als zodanig, met alles erop en eraan, misschien met verdringing hier en daar, kan ik mij voorstellen dat u dat toch registreert. Zeg ik als leek.

Jasper: Uh… ik heb gaten in mijn herinneringen. Ik was in gedachten toen ik fietste en ik heb de route niet in mij opgenomen.

Voorzitter: Had u een standaard route of was dat elke keer anders?

Jasper: Nee, dat was iedere keer anders. Ik had geen standaard route waar ik langs fietste.

Voorzitter: Dus als ik het samenvat, zegt u: Het tijdstip moet wel ongeveer rond de klok van tweeën geweest zijn. Als u mij vraagt naar de route dan weet ik dat niet. Ik leg vele routes af en ik weet niet welke route ik die avond heb gevolgd.

Jasper: Klopt.

Voorzitter: De routevraag, die gaan we verder in het onderzoek stellen, want u weet namelijk ook heel veel details.

Rechter B: Meneer Steringa, u zegt: ik weet de route niet meer. Zijn er nog delen van de route die u zich nog wel kunt herinneren?

Jasper: Nee, ik ben rechtsaf gefietst richting Kollum.

Rechter B: Dat is naar het oosten.

Jasper: Ja, en dan ben ik de route kwijt. Ik kwam vanaf de rotonde, de Lauwersmeerweg, de Keningswei. Vanuit die richting kwam ik, maar…

Rechter B: Kunt u zich herinneren of u bijvoorbeeld in Kollum bent geweest?

Jasper: Ik kan het mij niet herinneren dat ik in Kollum geweest ben. Ik ben rechtsaf naar het oosten gereden. Normaal zocht ik de rust. Dus het lijkt mij onwaarschijnlijk dat ik in Kollum geweest ben.

Rechter B: Dan ga je over de Van Limburg Stierumweg, meen ik?

Jasper: Ik weet niet of ik over die weg ben gereden. Ja, het laatste stukje van de Van Limburg Stierumweg ben ik geweest.

Rechter B: Dat kunt u ook nog plaatsen, dat u daar bent geweest?

Jasper: De Van Limburg Stierumweg begint op de rotonde van de Lauwersmeerweg, dan maakt die een bocht en dan gaat hij over in de Jeltingalaan.

Rechter B: Daarvan weet u nog, ik ben daar geweest?

Jasper: Ik ben vanaf de rotonde gekomen, dus…

Rechter B: En zijn er daarna nog delen die u zich herinnert? Zijn er nog andere stukken van de route die u bij zijn blijven staan?

Jasper: Nee. Er zijn wel vier of vijf mogelijkheden om vanaf mijn woning op de Jeltingalaan te komen. Maar ik weet niet welke ik genomen heb.

 

Dit is gewoon niet waar. Er zijn er maar twee.

 

Rechter B: Dank u wel.

Voorzitter: Ik heb u niet goed verstaan. U bent niet in Kollum geweest of bent u wel in Kollum geweest?

Jasper: Ik heb gezegd: Omdat ik normaal gesproken de rust zocht, het mij onwaarschijnlijk lijkt dat ik in Kollum ben geweest. Maar ik kan mij de route niet herinneren, dus…

Voorzitter: Nee, dat zegt u. Dus u weet het niet zeker. U zou ook wel in Kollum geweest kunnen zijn?

Jasper: Uh… ik herinner het mij niet.

Voorzitter: U herinnert het zich niet. Dan gaan we verder op de route. Want u herinnert zich wel dat u op gegeven moment iemand tegenkwam. En diegene is dan achteraf Marianne geweest. Wat weet u van dat moment eraan voorafgaand en verder? U fietst op de Jeltingalaan. Daar komt uw geheugen weer terug, want daar verklaart u over.

Jasper: Ik fietste over het fietspad naast de Jeltingalaan en ik zie in de verte voor mij, waar het fietspad ophoudt, zie ik twee jongens in het licht van de straatlantaarn. Die staan daar, die doen wat, maar dat is een opname. En als ik naar die jongens kijk, fietst mij plotseling iemand tegemoet op een fiets. En dat blijkt een jonge vrouw te zijn.

 

Wij weten dat het gestolen fiets verhaal van Spencer en Wietze een leugen is, evenals het afscheid van Marianne bij de sportvelden. Het feit dat Jasper dit element in zijn verhaal weeft, betekent al dat hij een valse bekentenis aflegt.

 

Voorzitter: Dus voor het moment van de Jeltingalaan, daar weet u niets van, maar de ontmoeting op de Jeltingalaan met degene die later Marianne blijkt te zijn, dat weet u dus. Zo moet ik het samenvatten?

Jasper: Ja, de route die ik genomen heb tot aan de Jeltingalaan, dat kunnen er velen geweest zijn. Ik kan mij niet herinneren welke ik genomen heb.

Voorzitter: Maar u kunt zich herinneren dat u die jongens zag staan? Of is dat informatie die u later uit de media heeft?

Jasper: Nee, ik kan mij goed herinneren dat ik ze heb zien staan.

Voorzitter: Wat deden die jongens daar?

Jasper: Ja, ze hingen daar wat rond.

Voorzitter: Riepen ze nog iets?

Jasper: Ik heb niks gehoord.

Voorzitter: Ze hebben u niet gezien, begrijp ik?

Jasper: Uh… ze hebben niets naar mij geroepen. Ik kreeg ook niet de indruk dat ze mij gezien hadden.

 

Het is Jasper blijkbaar goed in de oren geknoopt dat hij moet melden dat hij Spencer en Wietze gezien heeft. Dit ondanks het feit dat Spencer en Wietze hem niet gezien hebben. Hij ziet Spencer en Wietze ook eerder dan Marianne die hem tegemoet fietst en dus dichterbij is. Totaal ongeloofwaardig.

 

Voorzitter: U fietste zonder licht, hè? U fietst veel rond ’s avonds, dat verklaart u ook.

Jasper: Veel is een groot woord, maar de dagen dat ik vol zit met werk, af en toe moet ik mijn hoofd even leegmaken en dan kan het gebeuren dat ik de fiets pak midden in de nacht en de rust opzoek.

Voorzitter: Waar ik met deze vraag een beetje op doel, wat mij opvalt is dat u zonder licht fietst en dan denk ik: Is dat niet raar? Zonder licht fietsen daar? Zeker als je het vaker doet.

Jasper: Uh… het is heel simpel. Als ik op pad ging dan pakte ik mijn oude bedrijfsfiets en die verlichting functioneert niet.

Voorzitter: En dat verklaart ook dat die jongens u niet gezien hebben?

Jasper: Mogelijk.

Voorzitter: Ja. Nou u geeft daar zelf ook een verklaring voor. U zegt, niet geheel onterecht: Dan hadden die jongens het vast wel gezegd als er iemand gefietst had. En dat hebben ze niet gezegd. Maar goed, het is verder niet echt van belang. U zegt: Dat weet u. Dat is kennis vanuit uzelf en u heeft dat verder niet uit de media. U heeft dat later niet gelezen: Daar stonden een paar jongens. Zo moet ik dat zien?

Jasper: Correct.

 

Braaf bevestigt Jasper dat hij dit uit eigen ervaring weet. Hij herinnert zich vrijwel niets, maar het cruciale element dat Spencer’s verhaal overeind houdt, dat herinnert hij zich wel.

 

Rechter A: Meneer Steringa, u heeft verklaard dat u weleens ging fietsen om uw hoofd leeg te maken. Was dat die avond ook het geval? Of had u een andere reden om de fiets te pakken?

Jasper: Dat was puur om mijn hoofd leeg te maken. Het was een drukke tijd op dat moment. Er was wat spanning tussen mij en mijn vader, zo heb ik dat ervaren op dat moment. En ja, overdag met de drukte kom je er niet aan toe, kwam ik er niet aan toe om alles op een rijtje te zetten.

Rechter A: En in zo’n geval, als de stress om welke reden dan ook te groot werd, dan ging u ’s avonds na het werk, ’s nachts of regelmatig, dan pakte u de fiets?

Jasper: Ja, ’s nachts is een rustig moment, dan ben je helemaal alleen en dat had ik gewoon nodig om mijn gedachten weer te ordenen.

Voorzitter: Goed, we gaan verder. U komt dan Marianne tegen aan de Jeltingalaan ter hoogte van? Weet u nog waar?

Jasper: Ter hoogte van de sportvelden, de sportvelden De Swadde.

Voorzitter: Ja. En het is volle maan?

Jasper: Ja.

Voorzitter: Hoe goed was uw zicht? In meters, want u had geen licht. Marianne had ook geen licht, hè?

Jasper: Nee, voor zover ik mij kan herinneren niet, nee. Want dan had ik haar wel zien aankomen als ze licht had gehad.

 

Marianne is al bang in het donker en dan kiest ze ook nog een gestolen fiets zonder licht?

 

Voorzitter: Ja, maar wat was uw zicht bij benadering?

Jasper: Het zicht was niet bijster, want er staan redelijk grote bomen langs het fietspad en die werpen aardig schaduw. Het zicht was niet zodanig dat ik Marianne aan zag komen.

 

Geklets, het was volle maan en straatverlichting is aanwezig op de rijbaan naast het fietspad.

 

Voorzitter: Goed, u zegt dan bij de politie dat zij komt uit de richting Buitenpost. Volle maan, geen straatverlichting. U fietste beide heel snel. U heeft elkaar in een flits gezien, althans u heeft haar in een flits gezien. U zag ook dat het een vrouw was?

Jasper: Ja.

Voorzitter: Wat zag u precies?

Jasper: Niet meer dan dat het een vrouw was. Langer heeft de flits ook niet geduurd. Ja, ik zag nog dat ze blond haar had, maar voor de rest…

Voorzitter: En het was voor u toen duidelijk dat het om een meisje, een vrouw ging?

Jasper: Ja.

Voorzitter: En niet om een jongen met lang haar bijvoorbeeld.

Jasper: Nee, het was mij duidelijk dat het om een jonge vrouw ging.

Voorzitter: Oké, kunt u nog eens zeggen wat u toen dacht?

(Lange stilte)

Jasper: Vanuit het niets… flitste het toen door mijn hoofd: Jij bent van mij!

Voorzitter: Do bist foar my?

Jasper: Ja. Do bist foar my.

 

Jasper heeft naar eigen zeggen slechts gezien dat het om een jonge vrouw ging, niet eens of zij aantrekkelijk was, maar hij beslist meteen: Jij bent voor mij!

 

Voorzitter: Waar komt dat vandaan volgens u? Nogmaals daar komen we ook op met de psychiater en de psycholoog, maar als leken onder elkaar: U komt een jonge dame tegen, dan gaat er een knop om: Die is van mij!

Jasper: Ik weet niet waar het vandaan gekomen is.

 

Wat weet Jasper nu eigenlijk wel?

 

Voorzitter: Had u dat weleens vaker?

Jasper: Ik heb dat nog nooit gehad. Nadien ook nooit weer gehad. En ik weet nu nog niet waar dat vandaan gekomen is.

 

Jasper weet dat soort dingen niet, maar wordt wel volledig toerekeningsvatbaar verklaard?

 

Voorzitter: Nee, want als wij een hele grote sprong in de behandeling nemen, als we de voorlopige conclusie nemen, weten we dat u volledig toerekeningsvatbaar bent. Dat betekent dat u niet noemenswaardige afwijkingen heeft. Niet meer dan de gemiddelde mens, laat ik het heel voorzichtig uitdrukken. Als ik het puur feitelijk bekijk, u komt een jonge vrouw tegen en dan denkt u ‘die is voor mij.’ Dat kan ik moeilijk plaatsen. En u blijkbaar ook.

Jasper: Uh… Dat kan ik zelf ook niet plaatsen.

Voorzitter: Nee, en dit is ook niet in een flits alleen. Maar dit gaat door. Tot aan het allerlaatste met Marianne. En dat zijn, dat heb ik natuurlijk niet voor niets gevraagd, qua plaats en tijdstip met Marianne, en ik ga er straks nog een paar vragen over stellen, maar dat kan enige tijd geduurd hebben. Het duurt van tot het moment dat u haar tegenkomt en haar doodt. Tenminste zo verklaart u dan, dus daar ga ik dan nu even vanuit. Dus die flits, die aandrang van een mooi meisje of weet ik veel wat, die blijft. Want wat betekent dat? U zegt bij de politie: Op dat moment wilt u seks met haar. Klopt dat?

Jasper: Dat klopt.

Voorzitter: Ja, en u had niet iets van: Wat raar! Want u ging ook naar de prostituees, daar wilde u ook seks hebben. U rekent af en het is klaar. Hier hebben we een jongedame die gewoon over de openbare weg fietst. Misschien is het uw eerste gedachte, maar het houdt aan.

 

De voorzitter heeft blijkbaar ook wel door dat Jasper’s aanhoudende wensen en handelingen om seks met Marianne te hebben, niet stroken met een vlaag van verstandsverbijstering en toerekeningsvatbaarheid.

 

Jasper: Uh… er is op dat moment ergens een knop omgegaan bij mij, mijn geweten is uitgeschakeld. Hoe en waarom, ik weet het niet.

Voorzitter: Nee dat is wel duidelijk.

Rechter B: Meneer Steringa, u heeft bij de politie en ook hier op de zitting verklaard dat die gedachte aan seks alleen maar een plotselinge ingeving was op het moment dat u Marianne passeerde.

Jasper: Correct.

Rechter B: En toch heb ik ook gelezen in het rapport van de psychiater dat u ’s nachts op uw fiets toch ook wel worstelde met dilemma’s over seksualiteit. Dat was één van de onderwerpen waar u ’s nachts rustig over kon nadenken. Is dat tijdens die fietstocht ook aan de orde geweest?

Jasper: Mogelijk wel. Wat er tijdens die fietstocht allemaal door mijn hoofd gegaan is, en wat er die dag gespeeld heeft en waar ik dus die nacht mee op de fiets zat, daar kan ook wel een stukje seksualiteit in gezeten hebben.

Rechter B: Dat was een onderwerp dat normaal wel in uw gepieker voorkwam als ik het goed begrijp?

Jasper: Ja, maar niet in deze context. Dat was puur in de relationele sfeer.

Rechter B: En weet u nog of u over die relationele sfeer en seksualiteit op deze fietstocht heeft nagedacht?

Jasper: Uh… dat weet ik niet meer. Het is best mogelijk maar ik weet het niet.

Rechter B: Als het wel zo was, dan is het misschien geen plotselinge ingeving geweest, ik vraag het maar.

Jasper: Uh… ik heb daar met de psychiater over gesproken. Ik was misschien op dat moment daar wel mee bezig. Op het moment dat ik Marianne tegenkwam. Maar ik kan mij dat niet herinneren. Ik weet het niet meer.

Rechter A: Meneer Steringa, als u ’s nachts ging fietsen dan fietste u ook weleens door. U fietste weleens naar Groningen.

Jasper: Klopt.

Rechter A: En u fietste daar naar toe om een prostituee te bezoeken.

Jasper: Klopt.

Rechter A: Ik heb u net gevraagd wat de reden was dat u op de fiets bent gestapt die nacht. U heeft gezegd dat het was om de stress kwijt te raken.

Jasper: Ja, dat is correct.

Rechter A: Kan er ook niet een overweging in hebben gezeten dat er misschien die nacht toch sprake was van een bepaalde seksuele frustratie, dat u ook die nacht ook het idee heeft gehad: ik ga nu fietsen en misschien fiets ik wel door naar Groningen?

Jasper: Nee, ik ben helemaal niet met die gedachte van huis vertrokken.

 

Vreemd, want zojuist stelde Jasper nog dat hij niet meer weet welke gedachten hij had in die bewuste nacht.

 

Rechter A: Want dat is weleens gebeurd toch, in het verleden?

Jasper: Het is gebeurd in het verleden, dat ontken ik niet, maar ik ben die nacht niet met die gedachte op de fiets gestapt.

Rechter A: Dat weet u heel zeker?

Jasper: Er speelde van alles rond die 30 april, 1 mei. Uh… Ik had stress en ik ben op de fiets gestapt met de bedoeling die stress kwijt te raken.

Rechter A: En over wat voor stress spreken we dan?

Jasper: We spreken over de normale drukte van het werk.

Rechter A: Het was dus stress over praktische dingen, dingen die gewoon gebeuren, zakelijk dingen. Of zat er ook een andere stress bij, zoals een seksuele stress?

Jasper: Dat weet ik niet, dat kan ik mij niet herinneren dat die stress erbij zat. De mogelijkheid is er, maar het is bijna 14 jaar geleden, maar ik denk het bijna van niet. Ik sliep die nacht beneden. Er was die avond dus geen intiem contact geweest tussen mij en mijn vrouw, want zij is die avond naar boven gegaan toen ik nog de krant aan het lezen was. We hebben elkaar welterusten gezegd. De kans dat dat soort stress speelde, is niet groot.

Rechter A: Dan bedoelt u dat dat misschien niet op dat specifieke moment zo was, maar dat zat toch wel al heel lang onderhuids. Ik vraag het ook omdat ik het probeer te plaatsen waar die opmerking van u vandaan komt, dat u een jonge vrouw ziet fietsen en dat u ineens zomaar uit het niets zegt: Die is van mij! Daar wil ik mee naar bed!

Jasper: Dat die stress speelde dat klopt. Die speelde al langer. Die was latent aanwezig.

Rechter A: Maar u zegt: Op die avond ging ik in elk geval niet op de fiets om te kijken of ik die stress kon kwijtraken en eventueel door te fietsen naar Groningen?

Jasper: Dat is correct.

Rechter B: Dan nog één aanvullende vraag: Wat had u bij zich die avond? Ik neem zelf altijd geld en sleutels mee, was dat bij u ook zo?

Jasper: Huissleutels heb ik mee als ik van huis ben. En ik heb een zakmes mee als ik mijn werkkleding aan heb, dat zit standaard in mijn werkkleding.

Rechter A: En geld?

Jasper: Nee, dat zit niet standaard in mijn werkkleding.

Rechter A: U had geen geld bij u? Helemaal niets?

Jasper: Nee.

Voorzitter: Toen u ging fietsen had u uw werkkleding aan, u heeft zich niet verkleed of iets dergelijks?

Jasper: Nee, ik ben rechtstreeks van de stal op de fiets gestapt.

Voorzitter: Goed, u komt Marianne tegen en dan draait u om? Met de gedachte: Ik wil seks met haar. Want dat zegt u, dat wou u, dat was de bedoeling! Klopt?

Jasper: Correct.

Voorzitter: Ja, en u fietst achter haar aan en u verklaart bij de politie: Ze fietste vrij snel. Ze had inmiddels een flauwe bocht bereikt en ze had al een ruime voorsprong. U zag wel, terwijl u haar probeerde in te halen, dat zij vanaf het fietspad de weg opreed over de rotonde bij de Lauwersmeerweg, linksom, ze ging linksom, en dat ze aan de andere kant van de tunnel weer het fietspad op fietste. Dat zag u allemaal op afstand. Klopt hè?

Jasper: Ja, dat klopt.

Voorzitter: En u ging door de tunnel?

Jasper: Ik ging door de tunnel.

 

Wat hier niet wordt behandeld , is dat Jasper 800 meter nodig gehad zou hebben om Marianne in te halen vanaf de sportvelden tot aan de tunnel. Dit is compleet ongeloofwaardig. Zeker als je in aanmerking neemt dat Marianne niet door de tunnel gegaan zou zijn, maar over de autorijbaan van de rotonde. Daarmee gaf zij Jasper minstens 50 meter extra om zijn achterstand in te halen. Aan het eind van de tunnel had hij haar zeker kunnen opwachten. Niettemin moeten wij geloven dat hij daarna nog 400 meter aflegt om haar in te halen op de Keningswei, ter hoogte van de plek waar haar lichaam werd gevonden.

 

Voorzitter: Ja. En nog steeds met de gedachte haar achterna fietsend: Die is voor mij! Klopt?

Jasper: Ja, klopt.

Voorzitter: Er heeft geen afkoeling plaatsgevonden of iets dergelijks?

Jasper: Nee.

Voorzitter: U gaat er zo achteraan en u gaat door de tunnel. Wat gebeurt er dan? U moet dus op de trappers staan, begrijp ik. Marianne die fietste vrij snel. Het tempo lag voor u beiden hoog. U was gedraaid, dus u moest eerst een afstand overbruggen. Vertelt u verder: Wat gaat er door u heen tot het moment dat u bij haar bent.

 

De enige verklaring waarop de rechter baseert dat Marianne snel fietste, is die van Jasper. Ook een rechter zou zich toch moeten realiseren dat een volwassen man geen 1200 meter nodig heeft om een meisje van zestien in te halen, hoe snel zij ook fietste. Marianne Vaatstra was niet wielerkampioene Marianne Vos.

 

Jasper: Uh… Ik weet niet meer wat er door me heenging. Ik was zo gefocust om haar in te halen. Maar wat er allemaal precies door me heen geschoten is, durf ik niet te zeggen.

Voorzitter: Mmm, u bent nu bij haar. Wat gebeurt er dan? U haalt haar in.

Jasper: Ik haal haar op zeker moment in. Ik haal haar schuin vanachter in, ik fiets heel dicht naast haar fiets en… uh… ik pak hem vast… en ik rem haar af… ik probeer in elk geval om haar tot stilstand te krijgen en ik trek haar van de fiets af.

Voorzitter: Ja. Heeft Marianne nog iets gezegd tegen u?

Jasper: Toen zij merkte dat zij ingehaald werd, keek ze verschrikt achterom en toen riep ze: Wa bisto? Wie ben jij?

 

Al die tijd heeft Marianne niet in de gaten gehad dat een dolle seksbeluste veeboer haar probeerde in te halen?

 

Voorzitter: Heeft u daarop geantwoord?

Jasper: Daar heb ik niet op geantwoord.

Voorzitter: Wat deed u toen?

Jasper: Ik heb haar op hetzelfde moment van de fiets getrokken.

Voorzitter: Hoe deed u dat?

Jasper: Ik heb haar vastgepakt.

Voorzitter: Waar?

Jasper: Voor zover ik me kan herinneren, heb ik haar… heb ik mijn hand voor haar mond gelegd.

Voorzitter: Al fietsend?

Jasper: Al fietsend.

Voorzitter: Nadat ze gezegd had: Wa bisto?

Jasper: Ja… en ik heb geremd om de snelheid eruit te krijgen. En wij zijn half vallend, half struikelend zijn we tot stilstand gekomen.

 

Stelt u zich het voor? Een meisje op de fiets tot stilstand brengen met slechts één hand op haar mond?

 

Voorzitter: Half struikelend. De fietsen vielen?

Jasper: De fietsen vielen.

Voorzitter: En wat deed Marianne?

Jasper: Uh… zij heeft geprobeerd zich los te rukken.

Voorzitter: Ja, want daar was het het meisje naar, denk ik. Dat heb ik u ook voorgehouden, ook vrienden en kennissen zeggen: Marianne die laat zich niet zomaar overmeesteren. Wat deed ze precies?

Jasper: Uh… ik weet dat zij zich probeerde los te rukken en uh… daar is ze niet in geslaagd.

Voorzitter: Maar heeft u dan nog uw hand voor haar mond?

Jasper: Ik heb haar op zeker moment bij het rugpand van de jas gepakt.

Voorzitter: Liggen dan die fietsen al op de grond?

Jasper: De fietsen liggen dan op de grond.

Voorzitter: Ja, ze wou ervandoor, ze wou wegrennen?

Jasper: Ja, correct. Uh… ik heb toen uh… tijdens de worsteling kans gezien om mijn zakmes te pakken.

Voorzitter: Hoe? Ik heb een beeld voor me: U heeft een meisje beet bij de mond en bij het pand van haar jas, hoe heeft u dat mes gepakt?

Jasper: Ik heb haar op een gegeven moment met één hand vastgehad.

Voorzitter: Waar?

 

Jasper: Bij het rugpand van haar jas.

Voorzitter: Toen kon ze dus schreeuwen, want u had de hand niet meer voor haar mond. Schreeuwde ze?

Jasper: Toen kon ze schreeuwen. Voor zover ik mij kan herinneren heeft ze dat toen niet gedaan.

 

Gezien het karakter van Marianne, is dit totaal ongeloofwaardig.

 

Voorzitter: Mmm, en waarom pakte u een mes? Want u kon haar blijkbaar met één hand vasthouden, in bedwang houden.

Jasper: Ja uh… een reflex… misschien had ik onbewust de gedachte dat ik haar niet in bedwang kon houden. Uh… ik heb op zeker moment het mes gepakt en kans gezien om het open te klappen.

Voorzitter: Hoe deed u dat? Een mes pakken, dat is één, het is een Herder mes, misschien doet u dat anders, maar normaal stel ik mij toch voor dat je daar twee handen voor nodig hebt om een mes open te trekken. Hoe deed u dat?

Jasper: Ik kan het mij niet herinneren. Ik moet het met één hand open geklapt hebben.

 

De zin ‘Ik kan het mij niet herinneren’ blijft zich herhalen tijdens deze rechtszitting.

 

Voorzitter: Kan dat?

Jasper: Het is mogelijk, ik heb het wel vaker gedaan.

Voorzitter: Het is niet zo dat u dat mes al geopend had, eerder?

Jasper: Nee.

Voorzitter: Niet tijdens de fietstocht?

Jasper: Nee.

Voorzitter: Dat weet u wel zeker. U weet een aantal dingen niet, maar dit weet u wel. Dat klopt?

Jasper: Ik fiets niet met een open zakmes rond.

Voorzitter: Ook niet als u achter iemand aangaat, waarbij u een plan heeft opgevat: Daar ga ik seks mee hebben?

Jasper: Nee.

Voorzitter: Want u weet dat dat niet vrijwillig gaat, hè?

Jasper: (zucht) Ik weet dat dat niet vrijwillig gaat. Maar of ik mij dat op dat moment beseft heb, dat weet ik niet. Wat mij bezig gehouden heeft vanaf het moment dat ik omgedraaid ben tot het moment dat ik Marianne ingehaald heb, dat weet ik niet.

 

Dat weet hij wel, want al die tijd zou hij naar eigen zeggen de gedachte hebben gehad: Jij bent voor mij. Hij weet dus in elk geval dat hij seks wil.

 

Voorzitter: Heeft Marianne zich wel op enig moment weten los te rukken van u?

(Lange pauze)

Jasper: Kan ik mij niet herinneren.

Voorzitter: Het zou kunnen zijn dat?

Jasper: Ik kan het mij niet herinneren.

Voorzitter: Nee, maar we moeten het niet uitsluiten?

Jasper: Dat zijn uw woorden. Ik kan het mij niet herinneren. Ik heb gaten in mijn geheugen, dit is er één van.

 

Dit is ook weer zo krom. Hij weet niet meer of ze zich los probeerde te rukken, maar later heeft hij het over een worsteling waarbij Marianne in zijn hand gebeten zou hebben. Hij zegt dan letterlijk dat Marianne los probeerde te komen.

 

Voorzitter: Als dat zo geweest zou zijn, dan zou er ook een kleine achtervolging geweest kunnen zijn. Ja, ik redeneer maar door hoor, omdat u zegt: ik weet het allemaal niet, probeer ik wat gaten in te vullen met opties en scenario’s. Daarom houd ik het u voor en misschien is het niet zo, maar zou het kunnen? Misschien komt er iets in u op en zegt u: Hé, ja nu u het zegt. Ik heb moeite met het vatten van het beeld: Een mes open krijgen, iemand vasthouden, de hand inmiddels niet meer voor de mond, diegene zal geschreeuwd hebben, en dan denk ik, als we dan ook weer afgaan op het slachtofferprofiel, iemand die zich wel weet te weren, dan kan ik mij iets voorstellen dat ze zich losgerukt heeft.

Jasper: Meneer de voorzitter, ik heb moeite met een herinnering die ik bijna 14 jaar weggestopt heb. Want vrijwel alles wat er voorgevallen is die nacht, heb ik weggestopt. Ik heb een herinnering die maar zo klein is en ik heb er moeite mee om die tot in fracties van seconden terug te halen.

Voorzitter: Mmm, wat mij opvalt, en daar wil ik niks mee zeggen, maar u heeft eens eerder zo’n moment meegemaakt. Dat is in 2008.Toen bent u door de politie aangehouden.

Jasper: Dat was later.

Voorzitter: Ja, maar bij de psychiater zei u toen van: Ik kan mij niets herinneren. Dus die psychiater heeft toen opgeschreven: Ja, u heeft een dissociatieve fugue.

Jasper: Maar ik heb niet verklaard bij de psychiater dat ik mij niets kon herinneren.

Voorzitter: Wilt u weten waar dat staat?

Jasper: Ja, waar staat dat?

(Voorzitter zoekt in het dossier)

Voorzitter: Ik realiseer mij heel goed dat u hier nu niet staat voor dit feit, maar het zit in het dossier. Vandaar dat ik u daar toch mee wil confronteren. U wordt op een gegeven moment door de politie klem gereden en dan zegt u tegen de agenten: Ja maar ik wou eigenlijk naar de hoeren, maar schrijf dat maar niet op. Dat mag u als verdachte. En als de politie daar dan in meegaat, ja daar kun je van alles van vinden. Maar waar het mij om gaat, dit zijn de woorden van de psychiater: Hij fietste langs een aantal bedrijven van collega’s. Hij zag het licht branden op het erf. Hij is het erf opgefietst. Daar stond een auto. Hij heeft de fiets op het erf neergezet. Dat is dan blijkbaar wat u bij de psychiater heeft gezegd. U bent met die auto een eindje gaan rijden. De politie houdt u dan aan en op dat moment zegt u, in de woorden van de psychiater: Op dat moment schrok de patiënt wakker. Hij besefte toen pas wat er aan de hand was en constateerde dat de auto niet zijn eigendom was. De psychiater concludeerde met verbazing, want ja, hij heeft er zelf ook geen verklaring voor: Hij was niet overspannen of wat dan ook, hij moet alleen hard werken. Ik houd het u maar voor. Bij de psychiater lijkt u gezegd te hebben: Nou dat weet ik allemaal niet meer. En bij de politie wist u het wel, want daar zegt u: Ja, ik was onderweg naar Groningen toe.

(Advocaat Jan Vlug zegt iets)

Voorzitter: Ja, zegt u eens hoe u het leest!

 

Advocaat Jan Vlug: Ik heb de brief hier voor me, van de psychiater: De patiënt kwam samen met zijn echtgenote met het volgende relaas: Oktober 2008 was hij uitgenodigd voor een vergadering van de melkfabriek, hij was melkveehouder, de vergadering liep goed, geen bijzonderheden, bla bla bla. De patiënt heeft een paar drankjes gedronken, hij is thuis afgezet, hij heeft zijn werkkleding aangetrokken, alles was in orde, vervolgens blijkt hij om onverklaarbare reden zijn fiets te hebben gepakt, hij is gaan fietsen, fietst langs bedrijven van een aantal collega’s. Op een goed moment zag hij licht branden op het erf van een collega, hij is het erf opgefietst, hij is met de auto een eindje gaan rijden. Toen hij bij de rotonde aankwam, was het dat de politie hem oppakte. Tot zover vertelt hij tegen de psychiater gewoon wat er is gebeurd. Alleen vervolgens zegt hij, ik denk dat u daar op het voorbeeld bent gekomen: Toen patiënt werd aangehouden, schrok hij als het ware wakker. Maar hij heeft bij de politie en de psychiater wel gewoon verklaard. Hij heeft niet gezegd: Ik herinner mij niets. En dan is het toch wel een beetje merkwaardig dat de psychiater vervolgens met die dissociatieve fugue komt.

Voorzitter: Nou ja, in ieder geval heeft de psychiater het zo opgevat, en nogmaals, als ik dat zo lees en daarbij betrek wat hij tegen de politie heeft gezegd: Ik was onderweg naar Groningen, naar de hoeren, maar schrijf dat maar niet op, dan ja…

Jasper: Daar zou ik toch wel even mijn mening over willen plaatsen. De agenten drongen aan op een verklaring waarom ik die auto meegenomen had. Ik heb na aandringen van die agenten gezegd: Ik zou misschien naar Groningen zijn gegaan. Maar voor hetzelfde geld niet. En ik ben verklaringen tegengekomen dat ik al in Groningen geweest was.

Voorzitter: Het wordt anders opgeschreven, u geeft er ook details bij zoals dat uw vrouw de sleutels van uw auto bewaart, dat zijn dingen die ook later blijken te kloppen. En dan zegt u: Dat naar Groningen gaan, dat heeft de politie dan verkeerd opgeschreven. Maar dan toch even om elk misverstand te voorkomen: Verdachte verklaarde dat hij de auto van de buurman had weggenomen omdat hij voornemens was naar de hoeren te gaan in Groningen. De verdachte zei dat hij, nadat hij van een vergadering was teruggekomen, nog seks wilde hebben. Dat wordt dan verklaard uit de seksuele relatie met uw vrouw, die was op dat moment niet goed. En nu verklaart u ook dat u niet meer samen met uw vrouw sliep en dat de sleutels op de kamer blijven. Dat zijn gegevens, meneer Steringa, die volgens mij kloppen, of niet?

Jasper: Ja, maar dat die politieman zegt dat ik verklaarde dat ik naar Groningen wilde om seks te hebben, ik kan mij niet herinneren dat ik dat toen verklaard heb.

Voorzitter: Laten we het dan zo zeggen: Het staat er wel. Ja, u kunt er van alles van vinden, maar ik houd u dan voor wat de politie opschrijft en dan constateer ik dat u zegt: Dat is niet goed opgeschreven destijds. Mag ik het zo zien dan?

Jasper: Ja, dat mag.

Voorzitter: En dan toch even, plaats ik het naast hetgeen u bij de psychiater heeft gezegd. Wat is waar, wat is niet waar? Heeft de psychiater het goed opgeschreven, heeft de politie het goed opgeschreven? U heeft gezegd: Ik weet het niet. We moeten het wel doen met wat hier staat. Dit is wat het dossier is en dat is ook de reden dat ik het u vraag. En u kunt daar wel correcties op aanbrengen, maar dan zit u op een iets ander spoor dan uw advocaat blijkbaar, maar goed, dat zullen we dan als het belangrijk wordt nog wel horen. Maar ook de conclusie van de psychiater, dat er sprake zou zijn van een dissociatieve fugue, lijkt toch, ook met dat weer wakker worden, nou ja, dat u er niet bij was. Dan ben ik weer terug bij waar ik nu wil zijn, namelijk op de Keningswei. Nogmaals hoor, het is niet meer dan een vraag. En dan zegt u: Nu weet ik het ook even niet meer. Als u het niet weet, dan weet u het niet, maar ik kan die situatie zo moeilijk plaatsen. Toch weer dat geopende mes. Een stiletto mes, dat klik je zo open, dat is het punt niet. Maar het was geen stiletto. Het was een Herder mes. U zegt: Ik kan het met één hand openmaken, dat neem ik dan aan. Plus u heeft Marianne met één hand vast, een meisje dat zich tot op zekere hoogte wel weet te weren. En dan? U weet niet of ze weggelopen is, want dat was ook de aanleiding waarvan ik zeg: Misschien hebben we dat eerder gehoord dat u dat niet meer weet. Wat is daar precies verder gebeurd? Ik wil het nu van u horen, als u het wilt verklaren natuurlijk.

Jasper: Ik heb haar van de fiets getrokken. Uh… er is een korte worsteling geweest.

Voorzitter: Dat betekent: Marianne probeerde los te komen.

Jasper: Marianne probeerde los te komen. Ik heb de kans gezien om mijn mes uit mijn broekzak te halen en te openen…

 

Waar Jasper zich een paar minuten geleden niet kon herinneren of Marianne geprobeerd had zich los te rukken, fantaseert hij er nu vrolijk op los.

 

Voorzitter: Tijdens die worsteling?

Jasper: Ja, ik heb op een gegeven moment één van mijn handen voor haar mond gehad. Zij heeft mij toen gebeten. Uh… misschien is dat wel de aanleiding geweest, ik kan mij de volgorde niet goed herinneren, maar dat kan best de aanleiding geweest zijn voor mij om het mes te pakken en open te klappen.

Voorzitter: Daarna, na het bijten?

Jasper: Na het bijten ja, en na het mes op de keel te zetten.

Rechter B: Kunt aan de rechtbank vertellen of misschien voordoen hoe je zo’n Herder mes met één hand openmaakt, want er zit geen veerfunctie in. Er zit een duimsleuf in het lemmet, het is een houten handvat, vrij diep daarin zit het lemmet. Er komt alleen zo’n duimsleufje uit. Kunt u de handgreep laten zien waarmee je met één hand zo’n mes opent?

Jasper: Het is… uh… het mes was al redelijk gebruikt toen. De veer was niet meer de allersterkste. En als je dan het lemmet tussen duim en wijsvinger vastpakt en je strijkt het heft over je bil, de achterkant van het heft. Als dit nou je bil is, en je pakt het bij het lemmet vast en je strijkt het heft zo over je bil, dan klapt het mes vrij gemakkelijk open.

Rechter B: Er treedt geen veerwerking in? Want de veerwerking is juist om het dicht te zetten?

Jasper: Uh… een Herder, als die open is, werkt de veer om hem open te houden.

Rechter B: En op het moment dat hij eruit komt werkt de veer weer de andere kant op?

Jasper: Het werkt de andere kant op. Het was een gebruikt mes, het was niet nieuw meer, dus de sterkte van de veerwerking was al afgenomen.

Rechter B: Dus u heeft dat zo gedaan?

Jasper: Ik heb dat zo gedaan. Het gebeurt in het werk ook weleens dat ik het mes nodig had en maar één hand beschikbaar had.

Rechter B: Dank u wel!

Voorzitter: Goed, dat is dan voor of na of tijdens de worsteling gebeurd. U zegt nu: Na het bijten waarschijnlijk. Dat is dan de situatie dat u denkt: Ik heb het niet onder controle en daarom moet er dan nu het mes bij? Ik hou het u voor hoor, u kunt zeggen of het klopt of niet, maar dat is dan de situatie?

Jasper: Uh… ja, dat is de situatie.

 

Het hele stramien van ondervraging is dat de voorzitter Jasper iets voorkauwt en dan vraagt of het klopt. Jasper hoeft de bal alleen maar in te koppen.

 

Voorzitter: En dan komt er een ander moment in deze fase en dat zijn die fietsen. Die fietsen, die worden min of meer keurig weggezet. We hebben een mes, we hebben Marianne vast, ik denk met één hand. Marianne, een meisje dat zich wel weet te weren, maar ze komt blijkbaar niet los. Hoe zit het nou met die fietsen? Want die weet u dan ook nog weg te zetten. Hoe gaat dat?

Jasper: Uh… ja, die fietsen lagen op het fietspad. Uh… die konden daar niet blijven liggen. Die zouden dan aandacht trekken.

Voorzitter: Ja, dus het is een hele goede, misschien wel afgewogen gedachte om die fietsen weg te zetten. Vertel eens verder!

(Zeer lange stilte)

Jasper: Er was niets afgewogen.

Voorzitter: Oké, niets afgewogen?

Jasper: Als ik afwegingen had gemaakt, dan was ik niet eens achter Marianne aangegaan.

 

Een rare uitspraak, want Jasper heeft voortdurend afwegingen gemaakt. Het is begonnen met de afweging: Wil ik seks met haar hebben? De navolgende handelingen duiden op een proces waarbij voortdurend beslissingen werden genomen, zoals ook het bewust wegzetten van de fietsen, die anders de aandacht zouden trekken.

 

Voorzitter: Toch is het in ieder geval, laat ik zeggen een goede gedachte om, uitgaande van de situatie, die fietsen weg te zetten, laat ik het zo zeggen. Afgewogen of niet. Die fietsen zet u ook weg. Kunt u mij eens uitleggen: U heeft het mes, Marianne heeft u vast met één hand en u zet die fietsen weg. Hoe gaat dat? Puur even voor het beeld van de rechtbank, wat moeten we ons daarbij voorstellen?

Jasper: Ja, ik weet niet… uh… ik heb die fietsen aan de kant gezet. Daar heb ik één hand voor gebruikt, ik heb de andere hand gebruikt om Marianne vast te houden.

 

In welke hand had Jasper dan het mes? In zijn derde hand?

 

Voorzitter: Dat kon? Marianne kon niet meer loskomen? U had haar met één hand vast.

Jasper: Uh… ze kon niet loskomen, ze heeft het ook niet geprobeerd. Uh… ik had haar bedreigd met het mes. Dat heb ik haar dus tijdens de worsteling op de keel gezet. En dat heeft blijkbaar zoveel indruk gemaakt.

 

Even tevoren zei Jasper nog dat ze wel had geprobeerd zich los te rukken! Jasper spreekt zichzelf steeds tegen. Zoals Maaike Terpstra zegt: De waarheid kun je maar op één manier vertellen, de leugen op verschillende manieren.

 

Voorzitter: Wanneer vindt die worsteling plaats? Is dat voordat u die fietsen wegzet?

Jasper: Die worsteling vindt plaats voordat ik de fietsen wegzet.

Voorzitter: Ja, en dat u gebeten bent? Tijdens die worsteling bent u gebeten?

Jasper: Ja, klopt.

 

Weer twee voorzetten van de voorzitter, weer twee inkoppers van Jasper.

 

Voorzitter: Dan zegt u: Blijkbaar heeft die dreiging zodanig veel impact gehad dat Marianne niks meer deed? Was het afgelopen? Ze ziet een mes, krijgt een mes op haar keel wellicht en dan is het afgelopen?

(Flinke pauze)

Jasper: Ja.

Voorzitter: Weet u, meneer Steringa, ik stel mij een meisje voor, angst voelend, algehele verlamming of wat dan ook. Ik kan mij ook voorstellen dat iemand zijn uiterste best doet om zich los te rukken, schoppen, krabben, bijten. In haar nagelvuil is ook DNA gevonden, dat zou op enig moment op een worsteling geduid kunnen hebben. U zegt ook dat er een worsteling is geweest en dan kan ik het moment moeilijk plaatsen, en u bent de enige die daar uitleg over kan geven. Dan op een gegeven moment is alles afgelopen? Dan is er geen Marianne meer die zich nog verzet, u weet de fietsen weg te zetten, u weet u zelfs te bukken met haar, die fietsen liggen op de grond, en het gaat niet om één fiets maar het gaat om twee fietsen. Ze loopt nog met u mee, die fietsen moeten verplaatst worden. Kunt u dat toch nog wat inzichtelijker maken? Wat moet de rechtbank zich daarbij voorstellen hoe dat gegaan is?

Jasper: Sorry, daar blijf ik het antwoord op schuldig. Ik heb haar met het mes bedreigd… Dat heeft blijkbaar een dusdanige impact op Marianne gehad dat zij verder verzet opgegeven heeft.

Voorzitter: Gewoon totaal verzet opgegeven? U moet zich bukken om die fietsen op te pakken. Ze zal meebewegen, denk ik dan?

Jasper: Ja.

Voorzitter: U staat weer op en zij beweegt mee. U gaat lopen, zij loopt mee. U loopt terug, zij loopt weer mee terug. U gaat weer bukken om de andere fiets te pakken. Zij bukt mee, u loopt weer terug om de andere fiets weg te zetten. Is dat het beeld?

Jasper: Ja.

 

Marianne loopt aan één hand mee en bukt gewillig mee om Jasper de fietsen aan de kant te laten zetten. Ziet u het voor zich?

 

Voorzitter: Of zitten daar aspecten bij waarvan u zegt, die ben ik vergeten? Het moet anders gegaan zijn maar dat ben ik vergeten.

Jasper: Nee, ik heb die fietsen aan de kant gezet en in de tussentijd Marianne onder controle gehouden.

Voorzitter: Mmm, terwijl u het mes weg had, op dat moment al?

Jasper: Ik kan op dat moment onmogelijk het mes in handen gehad hebben.

 

Voorzitter: Precies! Dus u heeft Marianne onder controle A) door haar vast te houden met één hand, of arm en B) daaraan voorafgaande bedreiging van het mes… Is dat het scenario waar ik vanuit kan gaan?

(Lange stilte zonder antwoord van Jasper)

Voorzitter: Had u andere middelen bij u? Om haar onder controle te brengen?

Jasper: Nee.

Voorzitter: Nee? Uw zus heeft gezegd bij de politie: Elke boer heeft een mes en een touw bij zich. U had een mes bij zich. Had u ook een touw bij u?

Jasper: Nee.

Voorzitter: Nee? Heeft u weleens een touw bij u?

Jasper: Het gebeurt wel…

Voorzitter: Mmm, als u nu in uw werkkleding gaat fietsen en daar zit uw mes in, zit er dan geen touw bij?

Jasper: Uh, het mes zit in mijn broekzak en als ik touw mee heb dan zit het in één van mijn jaszakken. Daar zit niet voortdurend touw in.

Voorzitter: Wat voor een jas had u aan?

Jasper: Ik had mijn werkjas aan.

Voorzitter: En daar zat geen touw in?

Jasper: Daar zat geen touw in die dag, die dag niet. Als ik touw in mijn jas heb tijdens het werk, dan is dat op gegeven moment overbodig en dan moet ik het kwijt en dan steek ik het in mijn jaszak.

 

Goh, wat wil de voorzitter graag horen dat Jasper een touw bij zich had, ook al blijft Jasper het glashard ontkennen. Van een objectieve ondervraging om de verdachte zijn verhaal te laten vertellen zoals hij het zich herinnert, is hier geen sprake. De verdachte wordt geleid en gestuurd naar uitspraken die bij de feiten horen. Dit patroon is door de hele ondervraging zichtbaar. De voorzitter weet natuurlijk ook dat Marianne met een snoer is gewurgd en dat haar eigen BH hier een weinig plausibel alternatief voor is. Ondanks dat Jasper al aan de politie heeft verklaard dat hij dat met haar BH heeft gedaan, wil de voorzitter er toch een touw van maken.

 

Voorzitter: Goed, als ik nu uit ga van het verhaal zoals u het hier vertelt en zoals u het bij de politie heeft verteld, daar zaten overigens wel wat schakeringen in, maar dat is nu niet zo belangrijk, hoe is Marianne dan op dat moment geweest? Is daar een soort apathie, verlamming opgetreden? Uh, hoe had u haar beet? Was dat op dat moment een willoos meisje dat het opgegeven had? Hoe moet ik het zien?

(Lange stilte zonder antwoord)

Voorzitter: U had haar vast, Dan moet je dat kunnen voelen, zou ik zeggen.

(Lange stilte)

Jasper: Eh… ik heb daar verder geen herinneringen aan. Ik heb daar eh… eh… ik heb daar uitgebreid over nagedacht, heel veel gelegenheid gehad om eraan te denken… er is mij verschillende keren naar gevraagd, maar ik kan mij dat niet herinneren.

Voorzitter: Nee. U zegt ik kan mij dat niet herinneren. Dan maak ik altijd een flauwe opmerking, dan zeg ik daar achteraan: Dus het kan wel zo zijn zoals ik het u voorhield maar u weet het gewoon niet. U kunt ook zeggen: Zo is het niet! Dat is dan een andere benadering. Begrijp ik nou goed dat u zegt: Hoe Marianne was, dat weet ik niet meer?

Jasper: Nee, ik heb daar geen herinneringen aan.

 

Jasper heeft een meisje op gruwelijke wijze verkracht en vermoord, maar een cruciaal element of zij verzet heeft geboden en in welke vorm, dat weet hij niet, terwijl hij de meest pietluttige onbeduidende details wel weer weet. Een normaal persoon die zich zo weinig kan herinneren van een zo ingrijpende éénmalige gebeurtenis uit zijn leven, vraagt zich af: Heb ik dit eigenlijk wel gedaan? Dat Jasper zich dat niet wil afvragen is tot daaraan toe, maar dat de rechters dit niet doen is van God los.

 

Voorzitter: U heeft er geen herinneringen aan. Zou het kunnen zijn dat ze zich ontzettend verzet heeft? Dat u al uw kracht nodig had om haar in bedwang te houden?

(Lange stilte)

Jasper: Ik heb daar geen herinneringen aan.

Voorzitter: Nee, Ik hoor het u zeggen en daarom probeer ik u eens wat mogelijkheden voor te houden die dan eventueel aan de orde zouden kunnen zijn. Omdat u het zelf niet kan zeggen. Maar goed, u kent die omgeving?

 

Hier geeft de voorzitter gewoon toe dat hij de verdachte probeert te beïnvloeden en te sturen.

 

Jasper: Ja

Voorzitter: U bent er geboren en getogen, hè? Oudwoude en de Keningswei. Valt dat nog onder Oudwoude of net niet? Kende u het weiland?

Jasper: Eh… voor zover je een weiland kunt kennen vanaf het fietspad, ja.

Voorzitter: Mm, bent u weleens in het weiland geweest?

Jasper: Nooit.

Voorzitter: Geboren en getogen. Nooit vroeger door de weilanden gezworven?

Jasper: Nee daar niet.

Voorzitter: Daar niet?

Jasper: Nee alleen weilanden rond Oudwoude.

Voorzitter: Oké.

Rechter A: Meneer Steringa, ik heb nog wat vragen voor u, naar aanleiding van wat de voorzitter met u heeft besproken. U trekt het mes op Marianne als zij u in uw hand bijt. Zo heeft u het tenminste bij de politie verklaard en zo hoor ik het ook hier weer terug. Kort daarvoor heeft u haar ontmoet en heeft u bedacht: Die is voor mij. Daar wil ik seks mee hebben. U ontmoet haar en zij zegt tegen u: ‘Wa bisto’ (Wie ben jij)? En ze geeft eigenlijk te kennen dat ze niets van u moet. Op het moment dat ze u bijt, is die afwijzing wel heel erg duidelijk. Is er op dat moment niet iets bij u geknapt?

Jasper: (aarzelend) Nee.

Rechter A: Op dat moment heeft u gedacht: Het moet wel gebeuren want ik wil het. Heeft u daarom op dat moment het mes gepakt? Na die afwijzing, die hele duidelijke afwijzing: zij bijt u.

Jasper: Nee… eh (zucht)… eh… de knop is bij mij om gegaan op de Jeltingalaan… en voor de rest is het met mij…

Rechter A: Maar er gaat natuurlijk nog een keer een knop om op het moment dat u agressie gaat gebruiken en het mes pakt. Dat er een knop om gaat als u denkt: Hé dat meisje, daar wil ik iets mee, en nog achter haar aan fietst, maar op het moment dat het heel duidelijk is dat zij u niet moet, dat zij u bijt, dan pakt u het mes?

(Stilte zonder antwoord)

 

Steeds als Jasper geen antwoord geeft, zeggen de rechters niet: Geeft u eens antwoord! Ze stellen een nieuwe vraag of ze helpen hem de vraag te beantwoorden in een bepaalde richting.

 

Rechter A: U zegt dat was om haar onder controle te houden. Of was het iets anders?

(Pauze)

Jasper: Nee, ik heb het mes toen gepakt om haar onder controle te houden. Maar sowieso, wat er allemaal door mijn hoofd ging…

Rechter A: Dat vindt u heel moeilijk om dat terug te halen?

 

Weer een invulling van de rechter die Jasper dankbaar aanvaardt.

 

Jasper: Ja, zo… zover ben ik nog niet. Ik hoop daar ooit nog eens achter te komen.

Rechter A: Mmm, het is wel zo, meneer Steringa, dat u een aantal verklaringen bij de politie heeft afgelegd waarin u verteld heeft wat u in uw herinneringen zelf heeft gedaan. Ik heb ook de rapporten gelezen van de psychiater en de psycholoog, en daar is het delict ook met u besproken. En wat u daar verteld heeft over het delict, dat is meer dan wat u daarover bij de politie heeft verklaard. Dus op een bepaald moment zijn er wel weer bepaalde dingen bij u bovengekomen. Als we het bijvoorbeeld heel even hebben over die fietsen. Ik hoor u zeggen in antwoord op de voorzitter: Nou ja, ik heb er eigenlijk helemaal niet zo over nagedacht, ik heb die fietsen gewoon weggezet. Dat is heel anders dan wat ik lees in het verslag van de psychiater op pagina 15. En ik zal dat citeren. Dan begin ik bij het moment dat u bezig was om Marianne onder controle te houden: Toen dat gelukt was heeft betrokkene – ik lees het voor – de fietsen bewust zo netjes mogelijk weggezet om geen onnodige aandacht te trekken, want fietsen die direct op het fietspad liggen dat trekt dan gelijk de aandacht. Als ik dat zo teruglees, klopt het dat u dat tegen de psychiater heeft gezegd. Dan is daar in ieder geval een moment van bezinning geweest. Dat u wel wist: Die fietsen moet wel weg hier van de straat.

Jasper: Uhm, het verslag van de psychiater is geen woordelijk verslag van wat ik gezegd heb.

Rechter A: Ik zal u zeggen: Wat gezegd is, staat met quotes tussen aanhalingstekens en dat betekent dat de psychiater u woordelijk citeert: ‘Om geen onnodige aandacht trekken, want als fietsen op het fietspad liggen dan trekt dat gelijk de aandacht.’ Einde citaat. Dat betekent dat de psychiater u daar woordelijk heeft geciteerd. Dat dat niet de woorden of de interpretaties zijn van de psychiater. En er zijn meerdere dingen in het verslag van de psychiater.

 

Het gaat nu helemaal de verkeerde kant op. De rechter legt Jasper op de pijnbank omdat hij steeds weer anders verklaart. Met andere woorden dat hij dingen verzint en niet consistent in zijn verhaal is. Dit is het kenmerk van de leugen, want de waarheid vertel je steeds hetzelfde en de leugen is veel moeilijker om te onthouden en om steeds op dezelfde manier te vertellen. Van Jan Vlug mag de indruk absoluut niet ontstaan dat zijn cliënt vals verklaart en een aan hem gevoerd verhaal oplepelt. Dus grijpt hij in om de ‘schade’ te beperken.

 

Jan Vlug (onderbreekt): Meneer de voorzitter, daar maak ik toch een beetje bezwaar tegen. Die gesprekken die meneer Steringa heeft gevoerd met de psychiater, bij mijn weten zijn die niet opgenomen, er zijn geen handtekeningen onder gezet. Die voldoen op geen enkele manier aan de eisen die je aan verklaringen bij de politie mag stellen. Ik vind het niet goed om die verklaringen nu aan hem voor te houden als zijnde verklaringen die door hem zijn afgelegd. Want dat is namelijk niet zo. Dat is één. En twee, meneer Steringa heeft ook hier uitdrukkelijk gezegd dat die fietsen moesten worden weggezet, want die zouden de aandacht trekken. Ik heb er echt bezwaar tegen om de verklaringen bij de psychiater, die zijn afgelegd met een heel ander doel dan de verklaringen bij de politie en waar niet van vaststaat of ze correct zijn, waar niemand bij aanwezig is geweest, waar meneer Steringa geen handtekening onder heeft gezet, om die nu aan de verdachte voor te houden als een door hem afgelegde verklaring.

 

Holy Moly! Beseft u wat hier gebeurt? Ten eerste vertelt Vlug de voorzitter hoe hij recht moet spreken en zijn collega op de vingers te tikken over wat hij wel of niet mag meenemen. Een advocaat van een verdachte die de rechter mag onderwijzen hoe hij recht moet spreken. Zou ik dat ook mogen in mijn komende strafzaak? Ten tweede: Vlug krijgt de kans om aan te tonen dat zijn cliënt steeds weer wat anders verzint en dus een inconsistente verklaring aflegt, waarmee het waarschijnlijk wordt dat hij de moord helemaal niet heeft gepleegd en zodoende zijn cliënt vrij kan pleiten. Maar wat doet Vlug? Hij maakt er bezwaar tegen dat de rechter dit probeert aan tonen. Met andere woorden: Mijn cliënt moet geloofd worden en u moet hem veroordelen voor deze moord! Hoe weet Jan Vlug nu dat Jasper die verklaring bij de psychiater niet heeft afgelegd en dat de psychiater dat uit zijn duim zuigt, als er, zo zegt Vlug zelf, verder niemand bij aanwezig was?

 

Voorzitter: Het is een verklaring die niet voor het bewijs wordt meegeleverd, maar het mag wel meegewogen worden. Het kan een beeld geven… Maar het staat de heer Steringa natuurlijk vrij om te zeggen: Nee dat heb ik niet gezegd! En dan nemen we dat aan.

 

Ooh? Dus als Jasper iets zegt wat uiterst ongeloofwaardig is, dan neemt de rechter dat aan? Als de door het OM ingehuurde psychiater een verklaring van Jasper woordelijk citeert, en Jasper zou zeggen dat de psychiater uit zijn nek zwamt, dan wordt Jasper geloofd in plaats van de deskundige die door het OM zelf is ingehuurd? Hoe betrouwbaar acht het OM de conclusie van die psychiater dan nog dat Jasper volledig toerekeningsvatbaar is in plaats van knettergek? De psychiater wordt weggezet als leugenaar als wat hij zegt niet uitkomt, maar wel weer gebruikt als betrouwbaar als het wel uitkomt.

 

Jan Vlug: Nee prima, maar ik maak er een beetje bezwaar tegen dat het op deze manier wordt voorgehouden, omdat het een heel ander beeld van hem geeft. En dat lijkt me voor niemand op de tribune of waar dan ook, wenselijk.

 

Wat een ongelooflijke lulkoek! Het is helemaal niet de taak van Jan Vlug om een ‘beeld’ van zijn cliënt te creëren. Het is zijn taak om zijn cliënt vrij te pleiten, zoals zijn website ‘vrijpleiters.nl’ zegt. Welk beeld van Jasper daarbij ‘wenselijk’ is interesseert niemand een bal! Wel is duidelijk dat Vlug het beeld wenselijk acht dat Jasper geen leugenachtige bekentenis aflegt voor iets wat hij niet gedaan heeft. Als dat beeld naar voren komt, dan wil Jan het bewijs daarvoor geschrapt hebben. Als dit niet het bewijs is dat Jan Vlug door het OM is ingehuurd om Jasper veroordeeld te krijgen, dan weet ik het niet meer!

 

Voorzitter: Maar ik begrijp dat meneer Steringa zegt: Ik heb dat niet zo verklaard. Moet ik het zo zien?

Jan Vlug: Tja, dat zouden we hém moeten vragen.

Voorzitter (zich wendend tot Steringa): Gaat uw gang!

Jasper: Uhm… Ja, ik heb dat niet zo verklaard, dat ik heel bewust die fietsen aan de kant heb gezet. Ik heb ze aan de kant gezet. Ja, achteraf zeg je dat is logisch, want ze moeten aan de kant want ze trekken aandacht. Uh… ik heb daar niet bewust over nagedacht op dat moment. In de vroege ochtend van 1 mei.

 

Tjonge, als een mak schaap zegt Jasper wat de rechter en zijn advocaat graag willen horen: Nee, ik heb dat niet gezegd. Dus de psychiater is een leugenaar. Met het keurmerk van Jasper Steringa, dus dan weet je dat het betrouwbaar is. Die psychiater kan vanaf heden wel inpakken. Die krijgt nergens meer een job.

 

Voorzitter: Zijn er nog vragen?… Gaat uw gang.

Rechter B: Ja meneer Steringa, wij weten uit andere zaken waarbij messen als bedreiging worden gebruikt, dat er altijd iets bij gezegd wordt in de zin van: Als jij niet zus doet, dan doe ik zo. Wat heeft u gezegd toen u het mes hanteerde?

Jasper: Kan ik mij niet herinneren. Ik weet niet eens of ik wel iets heb gezegd.

Rechter B: Weet u ook of Marianne woordelijk gereageerd heeft op het tonen van het mes?

Jasper: Nee.

Rechter B: Hoe zag zij het mes voor het eerst? Heeft u het gelijk bij haar op de keel gezet?

Jasper: Ik heb het bij haar op de keel gezet en hoe zij het gezien heeft in die flits? Waarschijnlijk toen ik het bij haar op de keel gezet heb.

Rechter B: U kunt zich niet herinneren of u daarbij iets gezegd hebt als: Rustig jij! Of…

Jasper: Nee, ik kan mij niet herinneren of ik iets gezegd heb of wat ik gezegd heb.

Rechter B: Heeft ze gegild toen ze het mes zag?

Jasper: Nee.

Rechter B: Dat weet u wel?

Jasper: Ik had mijn hand nog voor haar mond.

 

Eerder in de ondervraging heeft Jasper verklaard dat hij reeds al fietsend bij het inhalen de hand op Marianne’s mond heeft gelegd. Al die tijd heeft hij dus zijn hand op Marianne’s mond, heeft hij zijn andere hand gebruikt om de fietsen weg te zetten (Marianne hield natuurlijk ook braaf haar fiets vast), een mes te pakken en open te klappen. U bent toch nog wel met volle concentratie bij de les? Want dit is geen makkelijke les. Dit is hogere wiskunde!

 

Rechter B: Kon ze het mes wel zien? Het was donker en er waren bomen langs de weg daar.

Jasper: Weet ik niet!

Rechter B: Maar u zag wel veranderingen in haar gedrag?

Jasper: Uh… (nadenkend) Marianne staakte haar verzet.

Rechter B: Daar leidt u uit af dat ze het mes wel gezien had?

Jasper: Uh… of ik wat gezegd heb, en zo ja, wat ik gezegd heb, weet ik niet meer, kan ik me niet meer herinneren. Uh… de combinatie van alles is in ieder geval zo geweest dat Marianne haar verzet opgaf.

 

Hoe vaak heeft Jasper al gezegd dat hij iets niet weet of herinnert? Een keer of honderd?

 

Rechter B: En u weet dus ook dat daar een boomwal lag?

Jasper: Ja, bijna alle weilanden worden omzoomd door boomwallen, dus…

Rechter B: Het is in die zin een bijzondere boomwal dat het er eentje was met een hoek erin. Dat is niet altijd zo.

Jasper: Nee, maar dat is niet eens zo bijzonder. Die zijn er wel meer. Ik heb er zelf verscheidene.

Rechter B: Oké, dank u wel.

Voorzitter: Ik zou ook wat verder op dat weiland in willen gaan. Maar eerst even een ander punt, over dat mes. U zegt tegen mijn collega dat u dat mes op haar keel heeft gezet, maar het is in ieder geval zo dat Marianne het mes gevoeld heeft? Kunnen we dat vaststellen of niet? Of denkt u dat?

Jasper: Uh… Ik denk dat u vast kunt stellen dat Marianne het mes gevoeld heeft.

Voorzitter: Heeft gevoeld, ja. Was het mes scherp op dat moment?

Jasper: Ja.

 

Kijk, dat weet Jasper dan weer wel na 14 jaar. Dat zijn mes scherp was. U moet zichzelf eens afvragen: Was mijn scheerapparaat 14 jaar geleden aan vervanging toe? Dat weet u toch nog wel?

 

Voorzitter: Was u op dat moment niet bang dat dat verwondingen zou veroorzaken?

Jasper: Heb ik niet bij stil gestaan.

Voorzitter: Niet bij stil gestaan? Oké.

Jasper: U moet zich voorstellen, het is een moment en zo herinner ik het mij ook, als een moment. We zijn daar niet minuten aaneen… uh… aan het worstelen geweest.

 

Voorzitter: Ja, dat zei u net, dat wist u allemaal niet. Was het eigenlijk licht volgens u? Kon je iets zien op de Keningswei? Het was volle maan, dat weten we, maar…

Jasper: Ja het was volle maan en voor het fietspad op de Jeltingalaan geldt hetzelfde, daar staan grote bomen. Tussen de weg en het fietspad heb je de nodige schaduw, maar in de schaduw is er met volle maan nog voldoende te zien op korte afstand.

Voorzitter: Oké, het weiland. Daar zijn we nu. De fietsen worden in de sloot gezet, in de greppel. Of althans één van de fietsen in de greppel. En… uh… hoe komt u dat weiland in?

Jasper: Er zat slechts een greppel tussen het fietspad en het weiland en dat bewuste weiland bleek geen afrastering te hebben.

Voorzitter: U zegt er zat slechts een greppel tussen?

Jasper: Tussen het fietspad en het weiland. En er stond geen afrastering om het weiland heen.

Voorzitter: Ja, maar dat is niet de plek waar de fietsen lagen, hè?

(Lange stilte)

Jasper: Die plek… ik kan mij niet anders herinneren dat ik de fiets welke Marianne gebruikt heeft, vrij dicht bij die boomwal neergezet heb. En mijn eigen fiets aan de andere kant van het fietspad, een klein stukje richting Buitenpost.

 

Het wordt steeds mooier. Marianne in bedwang houdend met één hand op haar mond, met de tweede hand een mes op haar keel, zet Jasper met zijn derde en vierde hand de fietsen aan de kant. Marianne’s fiets in de greppel en zijn eigen fiets minstens 10 meter verderop aan de andere kant van het fietspad. Dat soort minutieuze details weet Jasper dan weer wel. Waarom Jasper de fietsen niet bij elkaar heeft gezet wordt niet gevraagd en heeft Jan Vlug weer een paar zweetdruppels gescheeld. Resumerend: Wat in het nieuws is geweest of door het rechercheteam is voorgekauwd, wordt door Jasper gebruikt als de waarheid en wat hij niet kan weten, kan hij zich niet herinneren.

 

Voorzitter: Hoe dicht stond volgens u die fiets vanaf de plek waarop u het land inging?

Jasper: Eh, in mijn herinnering niet meer dan een meter of vijf. Hooguit.

Voorzitter: Als ik het 3D-rapport erbij neem dan wordt op gegeven moment een berekening gemaakt. Men noemt een afstand van zestien meter en twintig meter, vijfentwintig wordt zelfs genoemd, maar twintig daar zou je vanuit mogen gaan. Als dat niet zo is dan hoor ik dat wel, maar dat is wel wat ik lees. Als u naar de wand achter mij kijkt, die is tien en een halve meter. Als het om twintig meter zou gaan, dan heeft u twee keer deze achterwand. Dan vraag ik mij af: Wat is nou uw overweging geweest om weer zestien meter terug, of althans enige meters terug te lopen en niet gelijk bij die fiets het land in te gaan? Wat is de reden geweest?

(Lange stilte)

Jasper: Uhm, los van die afstanden… uhh… omdat ik mij dus niet kan herinneren dat die fiets zo ver weg stond, één blik om mij heen en als je staat bij een grens tussen twee weilanden en één weiland heeft een afrastering en het andere niet…

Voorzitter: Weet je wat mij opviel? En dat heeft weer te maken met wat ik u ook vanmorgen voorhield… die getuigen, die zoeken de fiets van Marianne en die vinden de fiets van Marianne en die stormen dan gelijk het weiland in, over het prikkeldraad, de afrastering aan de andere kant van de boomwal. Die doen eigenlijk wat redelijk natuurlijk lijkt, want daar ligt de fiets, als die daar ligt dan gaan we zo het weiland in. Wat u doet is, u legt die fiets wel of niet bewust neer en u gaat lopen…

Jasper: Uh, ik zal het u anders vertellen. U had het 3D-rapport bij de hand. Ik heb eerst Marianne haar fiets aan de kant gezet, toen de mijne. Als u het 3D-rapport erbij pakt, dan ziet u waar mijn fiets staat, dan weet u ook waar wij ons toen bevonden. Wij bevonden ons tegenover dat weiland zonder afrastering.

Voorzitter: Waarom heeft u die fiets dan daar neergezet en waarom niet tegenover de fiets van Marianne?

Jasper: Die fiets van mij die heb ik neergezet op de plek waar die lag.

Voorzitter: Waarom heeft u die fiets van Marianne op een heel andere plek neergelegd?

Jasper: Die heb ik ook neergelegd op de plek waar die lag. Min of meer.

Voorzitter: Hoe ver lagen die fietsen uit elkaar dan?

 

Uit het onderzoek is kennelijk gebleken dat de fietsen op ruime afstand uit elkaar hebben gelegen. Jasper kan dit niet verklaren. De fietsen zijn naast elkaar tot stilstand gekomen in Jasper’s verhaal. Het is dus vrijwel onmogelijk om dan die fietsen zo ver uit elkaar neer te zetten, onderwijl een meisje met een mes in bedwang houdend. Uiteindelijk zullen de rechters het door de vingers zien, zoals alle onwaarschijnlijkheden in de bekentenis.

 

Jasper: In mijn beleving lagen ze helemaal niet zo ver uit elkaar. Maar die fietsen, je moet ze met één hand oppakken, ik moest ze aan de kant rijden, ik moest Marianne onder bedwang houden, dus…

Voorzitter: Handen vol?

Jasper: Dat is niet zo van je pakt ze met twee handen vast en je zet ze aan de kant.

Voorzitter: Maar als uw fiets in de buurt van die van Marianne stond en dan ga ik straks nog even naar de afbeeldingen kijken, dan zou het toch niet zo gek geweest zijn dat er vanuit uw fiets geredeneerd altijd nog een meter of zeventien, vijftien, dertien moet zijn geweest om bij dat weiland te komen?

Jasper: Nee, als u de afbeeldingen in het 3D-rapport bekijkt, dan ziet u dat mijn fiets tegenover dat weiland stond.

Voorzitter: Het zou kunnen, maar dan is de vraag: Waarom heeft u die fiets zo ver van die van Marianne af gezet tegenover dat weiland?

Jasper: Ik heb ze gewoon aan de kant gezet en ze stonden waar ze stonden. Zo heb ik ze aan de kant gezet. Daar heb ik niet bij nagedacht, dat heeft geen reden. Ik heb die fietsen van de grond opgepakt en ik heb ze aan de kant geduwd.

Voorzitter: Ja, maar het is mij niet duidelijk. U zegt aan de ene kant, die fiets stond tegenover het weiland…

Jasper: Daar is die fiets beland terwijl ik hem aan de kant zette.

Voorzitter: Daar bent u dus aangeland vanaf de fiets van Marianne, u hebt dus met die fiets gelopen, dan wel die fietsen lagen vrij ver uit elkaar. Maar dat is niet zo, want u heeft Marianne al fietsend van die fiets getrokken, dus die fietsen moeten bij elkaar hebben gelegen.

(Zeer lange stilte zonder antwoord, Jasper loopt vast en weet niets zinnigs te zeggen)

Voorzitter: Van het 3D-team zou je uit mogen gaan van toch een afstand van zestien meter. Die fietsen zijn hier neergelegd… Ik zal… laat ik u de achtergrond van mijn vraag horen, die vermoedt u misschien wel, maar de achtergrond van mijn vraag is: hoe zou het kunnen zijn, u zegt ik zet die fietsen op hun plek, bewust of niet bewust, maar dan lijkt het alsof er toch wel een afstand gelopen is naar de enige juiste plek op dat moment, wat al die getuigen de volgende ochtend niet doen, die gaan dwars door het hek, maar u loopt een eindje terug naar de plek waar je het weiland in kunt. Als u dat even wilt bekijken dan vind ik dat prima. Bladzijde 599-609. 599 is de tekening, dacht ik, en 609 zijn de foto’s, onder andere een luchtfoto. Daar wordt de oversteekplaats met het slachtoffer aangegeven, de fiets van het slachtoffer, en de afstand die daar aangegeven wordt, is zestien meter.

(Overleg tussen Jan Vlug en Jasper)

Voorzitter: Als u zich voor nader beraad wilt terugtrekken?

Vlug: Nee, het is wel goed. Hij kan het zelf wel goed uitleggen, denk ik.

Voorzitter: Ja, Meneer Steringa, voordat u dat gaat uitleggen, begrijpt u wat ik met deze vraag bedoel?

Jasper: Ja, Edelachtbare. Ik heb ter hoogte van de boomwal, waarlangs wij het weiland in zijn gelopen, daar heb ik ongeveer mijn slachtoffer van de fiets getrokken.

Voorzitter: Ter hoogte van de boomwal, zegt u?

Jasper: Ja.

Voorzitter: Hoe weet u dat nog zo goed?

 

Goeie vraag, want Jasper herinnert zich geen cruciale dingen zoals het gedrag van Marianne, maar wel weer pietluttige details als waar hij precies tot stilstand kwam.

 

Jasper: Uh… Ik zei ongeveer. Die fietsen zijn op de grond geraakt. Waarschijnlijk een beetje uit elkaar, niet al te ver. Op het moment dat ik die fiets aan de kant heb gezet, de slachtofferfiets aan de kant heb gezet, die heb ik schuin vanaf het fietspad door de berm richting de greppel geduwd.

 

Ooit een moordenaar meegemaakt die zijn slachtoffer daadwerkelijk zo noemt? Jasper heeft duidelijk het jargon van zijn coaches aangenomen.

 

Voorzitter: Met Marianne aan uw arm?

Jasper: Met Marianne al aan mijn arm.

Voorzitter: En hoe ver was dat?

Jasper: Als je vanaf het asfalt af, die berm is redelijk breed, als je vanaf het asfalt af die fiets schuin de greppel in duwt, dan ben je snel een paar meter verder. Dan ben je met Marianne aan de arm zomaar drie, vier meter verder.

Voorzitter: Is het niet veel praktischer om met Marianne aan de arm de kortste weg te nemen? Die fiets meteen daar waar het kan in de greppel te gooien en niet nog een tijd met die fiets te gaan lopen?

Jasper: Nou, een fiets met één hand aan de kant zetten, dat valt tegen. Rollen gaat makkelijker volgens mij, als je hem met één hand aan de kant zet. En dan kom je volgens deze tekening dus op acht meter vanaf die boomwal. Toen ben ik teruggelopen met Marianne aan de hand naar mijn fiets die dus ergens ter hoogte van die boomwal was. Die heb ik aan de andere kant van het fietspad op dezelfde wijze aan de kant gezet. En dan kom je redelijk in de buurt van die zeven meter. Ik zie niet die afstand waar u het over hebt die ik afgelegd heb om nog weer bij die oversteekplaats te komen. Mijn fiets stond de andere kant op ten opzichte van die boomwal. Wij bevonden ons toen op de plek waar geen prikkeldraad was.

 

Jasper gaat de mist in. De fiets, zogenaamd van Marianne, is namelijk op zestien meter gevonden vanaf de plek waar geen prikkeldraad is. Nu zegt hij dat hij de fiets heeft neergezet op de plek waar geen prikkeldraad is.

 

Voorzitter: Ja, ik verlaat mij op wat ik relevant vind en wat ik op een tekening zie.

(De voorzitter ziet discrepantie tussen tekening en verklaring Jasper)

Vlug (schiet te hulp): Ja, het prikkeldraad loopt ongeveer van dat linker weiland tot aan die boomwal, dus het is met in de ene hand een fiets en in de andere hand het slachtoffer, en dan ook over prikkeldraad heen, dan kun je beter even teruglopen tot de plek waar geen prikkeldraad meer is.

 

Vlug gaat ook de mist in, want Jasper heeft net gezegd dat hij zich bevond op de plek waar geen prikkeldraad is. Hij hoefde dus helemaal niet terug te lopen. De rechter laat deze discrepantie voor wat zij is en gaat er niet verder op in.

 

Voorzitter: Ja en dat is het nou precies en daarom vroeg ik aan de heer Steringa de achtergrond van mijn vraag. Hoe wist u nou… u hebt geen plan, hoe is het bij u opgekomen, hoe komt u nou bij een weiland uit met begroeiing aan de ene kant en dan nog een achteraf gelegen woning, als je iets wilt doen wat het daglicht niet mag zien. Dan zou je ongeveer in dat weiland moeten zijn. Da’s één. Dat kan toeval zijn. Dat is aan te nemen. Dan hebben we dus een doorgang, waar al die getuigen over prikkeldraad gaan en later nog een keer over prikkeldraad. U loopt keurig terug, dan wel u bent met de fiets gestopt precies bij de doorgang van dat weiland, dat unieke weiland voor dit delict, waar geen afrastering is, waar je iemand aan je arm, of hoe u haar ook maar vasthad, zo mee kunt nemen het land in. Hoe wist u dat? Hoe zag u dat? En als u zegt: Ja, het was allemaal een flits en ik weet het niet meer, dan zit hier toch iets bij waarvan ik zeg: Hier is over nagedacht.

Jasper: Het is puur toeval dat ik daar mijn slachtoffer ingehaald had, op dat punt. Ik wist niet daar geen prikkeldraad om het grasland zat. Dat heb ik toen geconstateerd… Maar in ieder geval… u heeft dat geconstateerd toen de fietsen tegen het wegdek vielen?

Jasper: Toen ik mijn eigen fiets aan de kant gezet had. Toen heb ik om me heen gekeken en toen zag ik dat ik zo aan de andere kant over de greppel kon.

Voorzitter: Maar, laten we dan maar niet gaan discussiëren over meters, ook uw eigen fiets was op een behoorlijke afstand van die doorgang. Dus wilt u nu zeggen dat u vanaf uw fiets die afstand heeft kunnen zien en dat u wist: Daar kan ik het land in? Donker als het daar was? Straatverlichting is er niet, wel volle maan, dat moeten we erbij vermelden.

Advocaat Huisman, partner van Jan Vlug: Voorzitter als ik nog even mag, u baseert zich op afbeelding 26 op bladzijde 599, dan zie ik dat daar elders nog een fietsbandspoor is aangetroffen, en dat fietsbandspoor is kennelijk vernietigd, althans kwijtgeraakt door de politie. Maar mijn cliënt situeert iets op een andere plek dan de schets van de politie laat zien. En ik zou zeggen, dat fietsbandspoor laat de mogelijkheid open dat dat spoor hoort bij de plaats waar mijn cliënt de fiets situeert.

 

Lekker is dat! En passant wordt even genoemd dat de politie een belangrijk spoor is kwijtgeraakt of heeft vernietigd.

 

Voorzitter: Akkoord. Maar één ding is zeker, de fiets van Marianne, de herenfiets, is aangetroffen op de plek die op deze tekening staat aangegeven.

Vlug: Maar er staat ook dat de fiets de volgende dag toen ze gevonden is, verplaatst is door de jongens die haar hebben gevonden.

 

Leuk geprobeerd van Jan Vlug, maar die fiets is echt geen zestien meter verplaatst door Hans Veenstra. Het dossier is later aangepast. Maar dit is zeer slecht gebeurd. Volgens Peter R. de Vries stonden de ‘fiets van Marianne’ en die van de ‘dader’ naast elkaar in dezelfde greppel. En direct ter hoogte van het weiland met de afrastering. Precies ook waar Hans Veenstra en Gretha het weiland in gelopen zijn. Daar werden twee loopsporen heen en één loopspoor terug gevonden. Toen de recherche haar blunder ontdekte heeft Peter R. die loopsporen met Photoshop in het andere weiland gesitueerd waar die ochtend ook nog eens zo’n 10 mensen overheen gelopen waren. De rechters vroegen zich dus af of Jasper dat andere weiland al kende omdat hij zo’n 20 meter teruggelopen is. En met voorbedachte rade dus.

 

Voorzitter: Maar de sporen van de fiets zijn nagetrokken.

Vlug: Akkoord, maar hij was niet meer in de eindpositie. En dat zij wel over dat andere weiland over het prikkeldraad zijn gegaan, dat is natuurlijk logisch, want ze vinden daar een fiets, dan is het logisch dat je de kortste afstand neemt. Maar als je midden in de nacht met aan de ene hand een fiets en aan de andere hand het slachtoffer, ook nog over prikkeldraad moet klimmen, dan kan ik me voorstellen dat je iets terugloopt naar waar je eigen fiets staat.

 

Nu is er geen touw meer aan vast te knopen. Waarom zou de fiets van Jasper zestien meter van de fiets van Marianne staan? Ze waren toch naast elkaar tot stilstand gekomen?

 

Voorzitter: Maar dat is het probleem niet, dat snap ik heel goed, maar wat daarbij komt is dat meneer dan wel weet waar je wel het land in kunt, en dat is waar ik meneer over vraag.

Jasper: Nee, dat was geen weten, dat was puur toeval.

Voorzitter: Dat was puur toeval, zegt u? Akkoord, dan weet ik dat.

Vlug: Er staan ook allerlei bosschages, dus zowel bij het weiland met prikkeldraad, als het eerste stukje van het weiland zonder prikkeldraad, daar staan ook nog bosschages, daar moet je gewoon voorbij, anders kom je er niet.

Voorzitter: Dat kan. Nou, u zegt het is toeval?

Jasper: Het is toeval, ik heb eerst de fiets van het slachtoffer aan de kant gezet, we zijn teruggelopen naar mijn eigen fiets, die heb ik aan de kant gezet, en toen bevond ik mij op de plek waar wij overgestoken zijn.

 

Eerst was het verhaal dat de fietsen naast elkaar lagen, nu is het verhaal dat hij een eindje moest teruglopen naar zijn eigen fiets. Ongetwijfeld omdat Jan Vlug dat net heeft gezegd. Een paar minuten geleden zei Jasper nog dat de twee fietsen op dezelfde plek tot stilstand waren gekomen.

 

Voorzitter: Ja! Nogmaals, daar zullen we ons op een ander moment over moeten beraden hoe dat dan in elkaar zit. De eerste tekenen lijken, laat ik het maar zo zeggen, net zo makkelijk een andere kant uit te wijzen. U zegt ik ben nooit eerder in dat weiland geweest. Is het nu zo dat toen u op enig moment dat weiland inliep, dat u ontdekte dat daar een dwarswal was, of wist u dat?

Jasper: Nee, dat wist ik niet.

Voorzitter: Nee, dus u loopt die boomwal af? Met welk doel, ja dat was het hebben van seks, maar even de plaats van de uitvoering, met welk doel liep u langs die boomwal? Waar had u uit willen komen? Waar had u willen stoppen? Wat was het plan?

Jasper: Uh, op een plek dusdanig ver van het fietspad dat wij niet ontdekt zouden worden.

 

Hij wil een meisje verkrachten op een plek waar hij niet ontdekt kan worden. Als dat geen voorbedachte rade is, weet ik het niet meer.

 

Voorzitter: Ja, u zegt dusdanig ver van het fietspad dat u niet ontdekt zou worden. En u wist niet dat er een ideale plek zou komen, de plek na die dwarswal, met ook nog een talud, dat wist u niet?

Jasper: Nee, ik heb die situatie daar al fietsende waarschijnlijk vaak genoeg bekeken, maar ik heb dat nooit bewust in mij opgenomen hoe dat daarbij lag.

Voorzitter: Nee, maar als u zegt ik heb het vaak genoeg bewust bekeken…

Jasper: Wel vaak genoeg bekeken, maar niet bewust.

Voorzitter: Goed, u zegt ik ken de omgeving, maar dat land daar ben ik niet eerder geweest. Dat u daar met de fiets bij het enige weiland kwam waar je zo’n delict zou kunnen plegen, ten opzichte van Roorda en ten opzichte van de andere plek, en bij exact de doorgang waar je dan zou moeten komen met iemand, u zegt: dat is toeval? En dan gaat u het weiland in. En dan vraag ik u: dan ben ik weer even terug op de Jeltingalaan, dat omslagpunt: U ziet Marianne, of althans iemand fietsen die later Marianne blijkt te zijn. Dan is er een soort waas, maar nou gaat u het weiland in. Eén ding weet u wel: U gaat seks hebben. Heeft u nagedacht over de eventuele ontdekking?

Jasper: Nee.

 

En zo-even zei Jasper nog dat hij daar wel over nagedacht had: ‘een plek dusdanig ver van het fietspad dat wij niet ontdekt zouden worden.’

 

Voorzitter: Heeft u niet gedacht: We zitten hier in een kleine omgeving, dat meisje zou mij best eens later kunnen herkennen?

Jasper: Ik heb vanaf het moment aan de Jeltingalaan in een soort roes alles beleefd. Op dat moment was ik er helemaal niet mee bezig, met de kans op ontdekking.

Voorzitter: Weet u, want we stellen die vraag ook niet voor niets, ook over die fiets, want daar zitten een aantal afwegingen bij die u gemaakt heeft. Die fiets moet van het pad. Nou, u weet, zij het dan bij toeval, de juiste doorgang te vinden naar het weiland. Dan moet u toch gedacht hebben: Ergens zou dit wel eens uit kunnen komen en wat doe ik daaraan?

Jasper: Op dat moment niet.

Voorzitter: U zegt, ik ging het weiland in om seks te hebben vanaf de Jeltingalaan, maar over de consequenties heeft u niet nagedacht?

Jasper: Niet op dat moment.

Voorzitter: Heeft u nagedacht over dat dit weleens kon uitlopen op een zwangerschap?

Jasper: Nee.

Voorzitter: Dus u was u deels bewust van een aantal dingen en deels leefde u in een roes? U doet een aantal handelingen vrij rationeel, u denkt erover na, u zet de fietsen niet op het fietspad. Dat moet niet ontdekt worden, maar dat Marianne u als dader zou kunnen aanwijzen, daar heeft u niet over nagedacht? Dat zegt u eigenlijk?

Jasper: Ja.

 

Jasper logenstraft zijn eerdere bewering dat hij geen afwegingen heeft gemaakt.

 

Voorzitter: Oké, dus u gaat het land in met haar. Wat u in elk geval weet is dat u seks met haar wilt hebben. En wat weet u dan? Uw afweging was dus een plekje zoeken, u vindt dan ook een ideaal plekje. En dan? We gaan weer naar de reactie van Marianne. Marianne gaat dan nu mee het weiland in. Marianne weet wel hoe laat het is. Dit gaat niet goed aflopen. Het kan slecht aflopen, het kan zeer slecht aflopen. Het is zeer slecht afgelopen. Toch ook nu, geen reactie van Marianne?

Jasper: Ik kan het mij niet herinneren.

Voorzitter: Niet vechten, niet schreeuwen, niet rukken en trekken, niet krabben, bijten?

Jasper: Ik heb daar tussen en tijdens de verhoren steeds mijn best gedaan om het mij het voor de geest te halen, maar het lukt mij niet.

 

Gewoonweg onbestaanbaar dat Jasper zich niets herinnert van het gedrag van Marianne.

 

Voorzitter: Nee, dat is ook straks een vraag voor de psychiater en de psycholoog, maar het is lastig te plaatsen. Het is lastig te plaatsen op deze manier, dat over de ene handeling wel nagedacht wordt, maar over de andere niet. U bent op enig moment vanaf het fietspad doorgelopen. Als ik naar de sporen kijk, dan is dat redelijk vastberaden. U bent niet zoekend, om u heen kijkend, van waar moet ik nou neerstrijken zo meteen. Het is recht toe, recht aan, hè? U heeft de boomwal gevolgd. Dat klopt, hè?

Jasper: Ja, dat klopt.

Voorzitter: Niet om die boomwal in te gaan of zo?

Jasper: Nee. Een boomwal in de Friese wouden kom je ook niet in.

Voorzitter: Ja, daar staan braamstruiken en zo. Dus u moest ergens verder het weiland in om uit het zicht te komen?

Jasper: Ja, weg van de openbare weg.

 

De openbare weg waar Jasper wel twee fietsen achterlaat aan weerszijden van het fietspad en zich niet afvraagt of een voorbijganger dat niet vreemd zal vinden.

 

Voorzitter: En dan komt u eigenlijk bij de enige plek die er is. Dat is die dwarswal.

Jasper: Ja, dat was toeval. Achteraf wel een ideale plek.

Voorzitter: Ja, de politie vraagt u op een gegeven moment, had u op dat moment al in het hoofd dat Marianne het er niet levend vanaf zou brengen? Dan zegt u heel nadrukkelijk nee. U zegt, ja kijk, mijn lichaam heeft het gedaan, ik was het niet uiteindelijk. Kunt u nog eens zeggen wat u daar feitelijk mee bedoelt?

Jasper: Als ik bij vol bewustzijn ben dan doe ik zoiets niet.

 

Het lijkt mij toch een reeks van welbewuste handelingen tot nu toe. Bovendien is Jasper volledig toerekeningsvatbaar verklaard.

 

Voorzitter: Mmm, wat dan weer opvalt, de politie vraagt u bepaalde gegevens en dat blijft me toch maar bezig houden kan ik u verzekeren, want dan zegt u: Ja, ik weet dat ze een rugtas op haar rug had. En u weet ook hoe die rugtas eruit zag: Een zwart-witte koeienprint. Klopt hè? Dat is u gevraagd bij de politie. En u weet ook nog dat het een klein model was. Niet een rugtas waarmee je op vakantie gaat, maar waar je gewoon accessoires in hebt. Make-up en dat soort dingen, wat een meisje meeneemt als ze uitgaat. Dat weet u nog?

Jasper: Ja.

 

Voorzitter: Kunt u eens vertellen: Waarom is dat in uw geheugen gebleven?

Jasper: Ik weet niet waarom dat in mijn geheugen gebleven is. Dat komt boven.

Voorzitter: En als u dan Marianne ziet, met die rugtas. U heeft die rugtas gezien, die kunt u visualiseren, die rugtas zit op Marianne, hoe is het dan met Marianne?

(Stilte zonder antwoord)

Voorzitter: Begrijpt u mijn vraag?

Jasper: Nee.

Voorzitter: U ziet die rugtas op enig moment, u ziet ook de jas, daar vragen ze u ook over. Maar in die jas zit Marianne, en de rugtas wordt door Marianne gedragen. Vandaar mijn vraag: Hoe was Marianne op dat moment?

 

Jasper: Nee, maar dat antwoord van die rugtas, op enig moment heb ik dat geregistreerd. Dat kan heel goed zijn dat dat tijdens de worsteling was, toen ik haar bij het rugpand van haar jas vasthad.

Voorzitter: Tijdens de worsteling?

Jasper: Dat is best mogelijk dat ik toen gezien heb dat het een kleine rugtas was in koeienprint.

 

Dat de rugtas een koeienprint had is hem of voorgekauwd door de recherche of hij heeft het gezien in de uitzending van Peter R. de Vries. Een doorzichtige truc om daderkennis te suggereren terwijl half Nederland die kennis reeds had.

 

Voorzitter: Op het fietspad zal het donkerder geweest zijn, schat ik zo in, maar verbeter mij als het niet zo is, dan in het weiland waar de volle maan denk ik meer vrij spel heeft.

Jasper: Dat was min of meer gelijk want het was bijna in de schaduw. Die boomwal wierp ook een strook schaduw van een meter of vijf, zes breed.

Voorzitter: U zegt in elk geval, als ik dat geregistreerd heb, dan is dat tijdens de worsteling geweest, die rugtas, toen dient dat vastgelegd te zijn.

Jasper: Ja.

Voorzitter: U weet de print, u weet het formaat, en u weet ook dat u tegen Marianne op een gegeven moment als u langs de boomwal loopt, heeft gezegd: Stop maar! of Ho maar! Ver genoeg. Dat zegt u tegen iemand. Hoe reageerde die iemand?

(Stilte)

Jasper: Ja, zij voldeed eraan… Zij stopte.

Voorzitter: Hoe was zij? Wat merkte u aan haar op?

Jasper: Ik heb daar geen… Ik heb daar geen herinneringen aan.

Voorzitter: Heeft u het in het Fries of in het Nederlands gezegd? Fier genôch! Of Ver genoeg?

Jasper: Weet ik niet.

Voorzitter: Dat weet u niet? Maar wel dat u het gezegd heeft?

Jasper: Dat heb ik verklaard bij de politie.

Voorzitter: Ja goed, we hebben eerder al discussie gehad of alles wel goed opgeschreven werd, en dat is ook één van de functies van hier vragen stellen. Staat u daar nog steeds achter? En ook hier weer het punt: U weet wat u tegen iemand zegt, en die iemand kunt u op dat moment niet…

Jasper: Ja, ik heb tijdens het verhoor ook al eens gezegd: het is net alsof ik mij de handelingen die ik verricht heb beter herinner dan de reacties en gevoelens van zowel mijn slachtoffer als van mij.

Voorzitter: Ja, handelingen, maar ook opmerkingen blijkbaar, want u weet wat u tegen haar gezegd heeft. Ja, en uh… nu komen we natuurlijk op een heel pijnlijk onderdeel. Want wat gebeurt er dan? U bent op de plaats. Marianne moet haar jas uitdoen. Of niet?

Jasper: (aarzelend) Ja.

Voorzitter: Waarom doet ze dat? Op uw bevel?

Jasper: Uh… op mijn bevel.

Voorzitter: Dat weet u nog? Weet u nog wat u gezegd heeft?

Jasper: Nee, niet precies. Maar… nou ja, ze heeft op mijn bevel haar jas uitgedaan.

Voorzitter: En dat doet ze dan weer apathisch, willoos. Dat doet ze gewoon?

Jasper: Ja, zij doet het.

 

Totaal ongeloofwaardig dat Marianne elk bevel lijdzaam opvolgt en Jasper niet weet hoe haar gedrag daarbij was of iets gezegd heeft. De voorzitter probeert dan een verklaring te vinden aan de hand van het mes.

 

Voorzitter: Ja, waar is het mes?

Jasper: Dat heb ik inmiddels al weer in mijn hand.

Voorzitter: Ja, u zegt inmiddels. Maar heeft u het dan over vanaf het moment op het fietspad? Dat u het weggestopt heeft gehad? Tijdens de wandeling langs de boomwal had u het mes wel in uw hand?

Jasper: Ja.

Voorzitter: Mmm, en nog steeds als zij haar jas moet uittrekken?

(Stilte zonder antwoord)

Voorzitter: Wat gebeurt er dan? Zij trekt haar jas uit. Wat is het volgende bevel dat ze krijgt?

Jasper: Uh… wat het volgende bevel is, dat weet ik niet precies. Uh… ik kan mij niet herinneren wat ik gezegd heb, hoe zij gereageerd heeft. Ik heb… op één of andere manier is het haar duidelijk geworden dat ik seks wilde.

Voorzitter: Mmm, want dat had u gezegd? Of niet? Of is het haar gewoon duidelijk geworden?

Jasper: Uhm, ik weet niet of ik haar iets gezegd heb. Hoogstwaarschijnlijk wel.

Voorzitter: Hoogstwaarschijnlijk wel?

Jasper: Maar ik kan niet zeggen: Het is zo! Die herinnering heb ik niet.

Voorzitter: Is dat niet besproken? Als ik seks mag hebben, dan laat ik je gaan.

Jasper: Nee.

Voorzitter: U zegt nee. Is dat nee? Of nee, ik weet het niet meer?

(Lange stilte, Jasper denkt hard na)

Jasper: Dat is een nee.

 

Als een robot lepelt Jasper op hoe het gegaan zou moeten zijn, maar details uit eigen ervaring kan hij niet invullen.

 

Voorzitter: Dus u zegt: Dat is niet gebeurd! Ik heb geen deal gesloten met als onderdeel van de deal seks, en dan mag zij gewoon naar huis? Goed. Zij moest, u zegt ik weet het niet meer, ik weet het wel want dat is bij de politie verklaard, zij moest op haar knieën gaan zitten. Klopt dat? Als ik het zo zeg, weet u dat weer?

Jasper: Ja.

 

De rechter helpt Jasper even herinneren wat hij eerder heeft gezegd bij de politie. Voorzet, inkoppertje.

 

Voorzitter: U heeft dat gezegd, hè? En ze deed dat omdat u een mes in de hand had?

Jasper: Ja… ik heb haar constant onder bedreiging gehad van het mes… constant.

Voorzitter: En onder bedreiging, dat wil zeggen: u had het mes in de hand?

Jasper: Ja.

Voorzitter: Of heeft u op dat moment het mes ook op de keel gezet?

Jasper: Nee, uh… dat weet ik niet.

Voorzitter: Weet u niet? U heeft gezegd dat ze u moest pijpen?

Jasper: (aarzelend) Ja.

Voorzitter: Ja? En dat deed ze ook?

Jasper: Dat heeft ze ook gedaan, ja.

 

Jasper vertrouwt zijn penis toe aan de mond van het meisje dat hem net tot bloedens toe in zijn hand gebeten heeft? Hoe absurd wil je het hebben?

 

Voorzitter: Want? U had het mes in de hand. Nog steeds?

Jasper: Ja.

Voorzitter: Zij moest u onder dwang pijpen?

(Stilte)

Jasper: Klopt.

Voorzitter: En voor de duidelijkheid, pijpen is het geslachtsdeel in haar mond nemen. Uw geslachtsdeel. Klopt, hè?

Jasper: Klopt.

Voorzitter: Past dat ook in uw plan? Had u een plan? Eerst pijpen en dan vaginale seks of wat voor vorm van seks dan ook?

Jasper: Nee, ik weet niet wat ik had. Uh, ik ben niet weggegaan met een plan. Het geheel heeft zich zo ontwikkeld zoals het zich ontwikkeld heeft.

Voorzitter: Nou, u zegt wel: ik had het plan om seks met haar te hebben. En dan bedoelt u waarschijnlijk te zeggen welke vorm van seks, dat heeft zich ontwikkeld. Of leg ik u nu iets in de mond wat u niet wilt zeggen, dan moet u dat aangeven.

Jasper: Uh, dat ik vanaf de Jeltingalaan seks wilde hebben, dat klopt. De vorm waarop dat heeft zich ontwikkeld gedurende…

Voorzitter: Ja, maar vanaf de Jeltingalaan tot en met het weiland wilde u seks met haar hebben. Klopt?

Jasper: Klopt.

Voorzitter: Dat is niet veranderd. Terwijl u niet had nagedacht over ontdekking of zwangerschap. Klopt?

Jasper: Klopt.

Voorzitter: Dan komt u eindelijk op de plaats van het delict tot de conclusie dat het eerst pijpen moet worden. Klopt?

Jasper: Ja, klopt.

Voorzitter: En dat was de ervaring die u al had bij de prostituees. Is dat juist?

Jasper: Ja. Juist.

 

De rechter brengt Jasper in een ja-ritme. Hij kauwt alles voor en Jasper hoeft alleen maar te bevestigen dat het klopt. Dit is niet de manier waarop je een verdachte open zijn eigen verhaal laat vertellen.

 

Voorzitter: Dus dat is een vorm van seks die u aangenaam vindt. Anders doet u het niet, dan laat u het niet toe. Klopt dat?

Jasper: Aangenaam is een groot woord. Dat is waar de hoeren mee beginnen.

Voorzitter: Ja, bij de prostituees laat u dat gebeuren en wilt u dat. En bij Marianne wilde u dat ook?

Jasper: Uh, dat is bij de prostituees eigenlijk standaard procedure, dat ze beginnen met pijpen.

Voorzitter: Ja dat heeft u verklaard bij de politie, hè? En is het dan zo dat u die standaard procedure heeft voortgezet in het weiland? Dat u ook daar haar dat voorgehouden hebt?

Jasper: Misschien wel.

 

Marianne wordt dus vergeleken met een hoer. Pijpen past op geen enkele manier bij een brute verkrachting uit lust geboren. Dit is totale onzin.

 

Voorzitter: Waarom willen prostituees eerst pijpen? Dan is die vaginale seks wat minder lang. Dan komen die mannen wat sneller klaar. Dat is een commerciële afweging. Maar die afweging speelt hier natuurlijk niet.

Jasper: Nee.

Voorzitter: Dus het was echt iets wat uit uzelf kwam. Dat vond u lekker… op dat moment.

Jasper: Blijkbaar.

Voorzitter: Ja? Blijkbaar? Maar dat is het niet?

Jasper: Nou, ik weet het niet. Ik heb al gezegd, wat er allemaal door me heen ging, ik kan me dat slecht herinneren.

 

Dit is toch ongelooflijk? De handelingen lepelt hij op maar het hoe en waarom weet hij niet? Welke malloot verklaart deze man volledig toerekeningsvatbaar?

 

Voorzitter: Uhm, We gaan verder. Daar is bij de politie over gevraagd. En die vragen krijgt u ook bij herhaling van de rechtbank, want toch, wat doet Marianne alsmaar? De politie vraagt u: Waar had zij haar handen? U zegt bij de politie: Dat weet ik niet!

Jasper: Nee, dat weet ik niet.

Voorzitter: U had Marianne vast, hè?

Jasper: Ik had haar… eh… ik had haar vast, ja.

Voorzitter: Bij haar haar? Klopt?

Jasper: Ja, bij het hoofd.

Voorzitter: En uw andere hand, waar was die?

Jasper: Weet ik niet. Met mijn andere hand had ik het mes vast. Waar ik mijn hand had, waar ik het mes had, dat weet ik niet.

Voorzitter: Nee. In de buurt?

Jasper: In de buurt. Niet ver weg.

 

Jasper weet niets, maar de rechter helpt hem gewoon met antwoorden. Sturing van de bovenste plank.

 

Voorzitter: Uh, het valt op dat we niets van haar handen weten. Ook niet iets van afzetten. Want u kent de theorieën, hè, die hierover zijn? Die aan het 3D-onderzoek gekoppeld zijn, en dat ze op enig moment, laat ik zo zeggen, vastgebonden is. We zien als we naar de foto’s kijken afdrukken bij haar polsen. En wat we ook zien is dat haar muis, dat gedeelte van de hand blauw is. En dat suggereert dat er wel wat handelingen geweest kunnen zijn, bijvoorbeeld het binden en dat ze op haar rug gelegen heeft, wellicht op een later moment, of een komend moment, dat haar muis van haar rechterhand blauw is. Blauw uitgeslagen. Dus dat idee van binden en niet weten waar zij haar handen heeft, dat zij zich niet verzet, niet krabt, bijt en weet ik veel, kunt u zich dat niet voor de geest halen?

Jasper: Uh… nee. Ik ga er nu vanuit dat mijn dreiging van haar met het mes, dat het haar heeft doen besluiten om zich niet meer te verzetten, teneinde het er levend vanaf te brengen.

 

Dat is vreemd, want eerder heeft Jasper nog gezegd dat hij niet het plan had om Marianne te vermoorden. Maar nu kan hij zich voorstellen dat Marianne dat wel dacht?

 

Voorzitter: Want? Had u een doodsbedreiging geuit? U weet dat niet meer, denk ik dan?

Jasper: Nee. Ik weet het niet meer, maar het ligt ook niet in mijn aard om iemand met de dood te bedreigen. Dus…

 

Tsjonge jonge, het ligt niet in zijn aard, maar even later verkracht hij haar, wurgt hij haar en snijdt haar de keel door. Ligt het wel in Jasper’s aard om een meisje met een mes te bedreigen en te verkrachten? Want dat heeft hij tenslotte gedaan, zo moeten we geloven. Toerekeningsvatbaar?

 

Voorzitter: Mmm. Heeft u haar op enig moment vastgebonden?

Jasper: Nee.

Voorzitter: En de bindsporen bij de polsen, u heeft mondjesmaat naar de foto’s gekeken, begrijp ik, hè?

Jasper: Ja.

Voorzitter: Die foto’s heeft u wel gezien.

Advocaat Jan Vlug: Jazeker, die zijn tijdens het verhoor getoond.

Voorzitter: Hoe moeten we dit verklaren? Kijk, over Marianne heb ik geen andere informatie dan dat ze ongeschonden richting Kollum is gegaan die avond. En dat zoals ze aangetroffen wordt, nou, dat zijn nogal gruwelijke plaatjes, maar als we het even tot de polsen beperken, dan is daar iets mee gebeurd. Iets wat de ouders niet kunnen verklaren in ieder geval. Vrienden of vriendinnen hoor ik er ook niet over…

Jasper: Ik heb tijdens het verhoor verklaard dat ik… eh… tijdens de vaginale seks haar vastgehad heb bij de polsen. Dat ik haar polsen met mijn handen vastgehouden heb.

Voorzitter: Waar had zij die polsen dan op dat moment?

Jasper: Die… haar armen lagen toen gestrekt boven haar hoofd.

 

Gek. Eerder zei Jasper nog dat hij niet wist waar hij zijn handen had. Nu is hij heel specifiek. Wat ook duidelijk wordt, is dat aan Jasper alle stukken en foto’s zijn getoond. Iemand die het niet gedaan heeft, krijgt zo toch een aardig beeld wat hij moet vertellen om te doen geloven dat hij het wel gedaan heeft. Toch weet Jasper ook dat te verknallen.

 

Voorzitter: Boven haar hoofd. Waarom boven haar hoofd? Was dat ook een bevel van u? Of deed ze dat automatisch? Wat is de reden?

Jasper: Nee, ik had toen haar polsen vast. Zij had haar handen boven het hoofd, daar zijn de handen beland.

Voorzitter: Goed, dan komen we wat verder en misschien ook wat gedetailleerder… We hebben de situatie van dat pijpen en dan mag zij stoppen. Zo mag je dat toch wel zeggen, ze krijgt verlof, toestemming om te stoppen. Want we kunnen over één ding duidelijk zijn, dit is allemaal afgedwongen, hè? U zegt dat ze moest ophouden en dat ze op haar jas moest gaan liggen?

Jasper: Ja.

Voorzitter: Ja? En dan? U heeft het mes in uw handen. Met uw linkerhand heeft u haar bij het haar vast. En dan? Wat heeft zij aan? Kleding, denk ik? Hoe gaat dat?

Jasper: Ja, zij heeft kleding aan. Ik kon mij tijdens de verhoren niet eens meer herinneren wat, maar ja ik heb nu het technisch proces verbaal doorgekeken, dus inmiddels weet ik even meer wat ik aan het doen was. Maar eh… ik ben naast Marianne geknield… en uh, ik ben begonnen haar van haar kleding te ontdoen, met behulp van mijn mes.

 

Naast Marianne geknield? Waarom was het gras rond Marianne dan niet plat?

 

Voorzitter: Waarom met het mes? Ik heb een beeld van Marianne: U hoeft alleen maar te knippen en ze doet het. Waarom moest die kleding losgesneden worden?

Jasper: Ja, dat weet ik niet, ik heb het gedaan. Op die manier.

Voorzitter: Waarom? Alles heeft een doel. De broek snijdt u niet los. Hoe is het met die bovenbroek gegaan?

Jasper: Die heb ik naar beneden getrokken.

Voorzitter: Ja. En dan snijdt u de kleding los? Waarom heeft u niet gewoon gevraagd: Doe je BH af, doe je topje uit?

Jasper: Weet ik niet, het is gegaan zoals het gegaan is.

 

Als Jasper het niet meer weet, dan zegt hij zoiets.

 

Voorzitter: Nee, dat begrijp ik maar ik probeer ook nog een beetje te kijken wat erachter zit. Want dat de kleding kapot gesneden is, dat lezen we, en dan zeg ik u daarbij: dat doet de wenkbrauwen hier en daar fronsen. Vandaar dat we daar even op doorvragen.

Jasper: Ja, en ik heb het psychiatrische onderzoek ook doorgelezen en je komt allemaal theorieën van dat onderzoeksteam tegen, dat is hun goed recht, maar dat zijn theorieën.

Voorzitter: Dat is de meerwaarde van deze bijeenkomst, dat u zelf daarover kunt verklaren bij de rechtbank wat u daarvan vindt.

Jasper: Ja, ik ben daar niet heengegaan met een vooropgezet plan, ik heb haar niet van de weg afgepakt met een vooropgezet plan om van alles en nog wat met haar uit te halen.

 

Dat lijkt me niet. Hij heeft haar toch van de weg gepakt om seks met haar te hebben?

 

Voorzitter: Maar wel seks! Dat heeft u meerdere malen verklaard.

 

Jasper: Ik heb haar, ik ben haar tegengekomen, dat was puur toeval. Ik was verder nog geen mens tegengekomen.

 

Voorzitter: Maar nu gaat u terug. Wat ik u voorhoud is, en als dat niet juist is moet u het zeggen, dat eigenlijk al vanaf de Jeltingalaan, de confrontatie met de fietsen, het weiland ingaan, stond er één ding voorop: Seks! Ik heb u al een paar keer gevraagd: Was u niet bang voor zwangerschap of ontdekking?

Jasper: Nee, daar heb ik niet over nagedacht.

 

Weer een leugen, want hij zoekt speciaal een plek op afstand van de openbare weg om niet ontdekt te worden.

 

Voorzitter: Die seks die stond u voor ogen, dat zou u doen, dat was het plan. Of niet?

Jasper: Ja, maar dat plan dat is spontaan ontstaan.

Voorzitter: Op de Jeltingalaan enzovoorts, daar hebben we op doorgevraagd, dat hebben we geregistreerd.

Jasper: En dat is met alle volgende handelingen, uit een soort automatisme of weet ik wat, de ene handeling volgt de andere op en op het moment dat Marianne lag en ik had het mes in mijn hand, ben ik begonnen om haar kleding los te snijden.

Voorzitter: Waarom? Waarom moest dat losgesneden worden? Ja, dat is precies de vraag. Is dat intimidatie? Is dat lustbeleving? Is dat makkelijk? Daar zoeken we een beetje naar, hè?

Jasper: Ja, uh, ik weet het niet. Ze lag en uh… ik had het mes in mijn hand en uh… ik weet het niet.

Voorzitter: Weet u wat ik zo raar vind? Dat u het niet weet, dat respecteer ik, maar het beeld dat ik van de omgeving van Marianne heb gekregen, is een heel ander beeld dan wat ik krijg uit deze gebeurtenissen. Dan zou een redenering kunnen zijn: Ze is zo geïntimideerd en angstig, weet ik veel wat, ze geeft het op. Dat, en daar kom ik straks nog over te praten, dat zou heel goed passen in het plaatje dat ze zelf haar tampon heeft verwijderd, want ik heb u ook de verklaring van haar schoonzus aangehaald dat ze mogelijk ongesteld was, althans in haar laatste dagen van haar ongesteldheid was en dat is uit het sectierapport ook min of meer bevestigd. Dus een tampon, daar komt u zelf ook mee overigens, dat doet ze zelf, ze loopt zelf mee, als u zegt doe je jas uit, doet ze haar jas uit. Net zoals u zegt: Ga op je knieën, dan gaat ze op haar knieën, als u zegt pijpen, dan doet ze dat. Dan denk ik als je zegt doe dat topje uit, doe die BH af, doe je slipje uit enzovoorts, dan doet ze dat toch ook? Maar dan pakt u een mes. Dat probeer ik dan te vatten, ik probeer het te plaatsen, ik snap het niet.

(Lange stilte)

Jasper: Nee, daar blijf ik het antwoord op schuldig. Ik heb daar geen verklaring voor.

 

De rechter respecteert steeds dat Jasper het niet weet. Hij zou zich ook eens af kunnen vragen: Wat is eigenlijk de basis waarop ik moet oordelen dat deze man gedaan heeft wat hij zegt te hebben gedaan?

 

Voorzitter: Weet u, op het moment dat u aan die kleding begint te snijden, u had het over dat topje, dan zit u met dat mes ook weer vlakbij de keel, hè? Dan bent u niet alleen aan het bedreigen, maar dan bent u daadwerkelijk aan het snijden. Was het soms een intimidatie?

Jasper: Ik weet het niet, Ik weet het niet.

Voorzitter: Nee, maar ik probeer u wat voor te houden. Misschien dat er een lampje gaat branden. Als het niet gaat branden, dan brandt het niet, maar ik probeer het wel.

Jasper: Ik ben bang dat er geen lampjes gaan branden, want we hebben dit tijdens de verhoren zo vaak doorgesproken en toen is het lampje ook niet gaan branden.

Voorzitter: Nee, maar het gebeurt misschien wel vaker dat er hier en daar ook in uw verklaring eerder nog iets niet helemaal duidelijk was, die tampon bijvoorbeeld, dat komt eigenlijk pas op een later moment. Al vragende kun je nog weleens situaties krijgen dat er toch wat lampjes gaan branden. En dat er vragen zijn, dat bent u wel met me eens, natuurlijk. Dit zijn dingen die roepen vragen op.

Jasper: Dat verhaal van die tampon, dat had ik mijn raadsman ook al verteld. Ik was het alleen op dat moment even kwijt. Dat staat niet goed in chronologische volgorde maar…

Voorzitter: Dat bedoel ik. Ja? U wou wat zeggen?

Jasper: Alles wat u zegt, die vragen die u heeft aangaande… eh… het gedrag van mijn slachtoffer, die herinneringen daaraan heb ik nooit gehad.

Voorzitter: Nee, maar weet u, dat is één, maar…

 

Hij herinnert zich geen gedrag van Marianne maar wel weer dat ze zelf haar tampon heeft verwijderd?

 

Voorzitter: Nee dat is één, dat zal dan zo zijn, maar twee is gewoon dat we ook niet uit het feitenmateriaal iets halen. De worsteling op het fietspad, en dan houdt het op. Nou oké, dan denk ik: Marianne heeft het helemaal opgegeven, hoopt er dan nog levend vanaf te komen misschien wel. Het is toch een meneer met een mes die uit het donker komt opduiken. Dus zij zal allerlei dingen bedacht hebben: Hoe kom ik hier toch nog het minst geschonden vandaan? Dat zou allemaal kunnen, maar dan begrijp ik niet uw handeling om op een gegeven moment die kleren van haar lijf te snijden. Ik kan mij zo voorstellen, als hier ergens een mes aan het snijden raakt, dat is behoorlijk angstaanjagend. En dan zegt u: Ja, dat weet ik allemaal niet.

Jasper: Nee, ik weet niet waarom ik haar niet gewoon gevraagd heb haar te ontkleden. Geen flauw idee van.

 

Jasper’s coaches van de recherche hebben blijkbaar maar half werk gedaan.

 

Voorzitter: U weet het dus niet. U zegt u gaat ook die BH doorsnijden. U weet al hoe u doet, u raakt op een gegeven moment iets metaalachtigs, dat weet u allemaal nog, en u weet allemaal niet waarom u het doet, want ze was wel meewerkend, want zo moet ik het dan weer zien. De politie vraagt u overigens ook: Hoe reageerde Marianne? Maar daar weet u dan allemaal niets meer van. Waarom moet die BH af? Kunt u daar iets over zeggen? Was dat omdat u aan haar borsten wilde zitten, of…

Jasper: Ja, dat is een onderdeel van de seksuele beleving. Haar lichaam strelen.

 

Jasper wil haar verkrachten, maar ook haar lichaam strelen? Strelen heeft met tederheid en liefde te maken, niets met lust.

 

Voorzitter: Ja, en nog overwogen om die BH op een normale manier los te maken dan?

Jasper: Nee.

Voorzitter: U geeft aan wat u doet, hè? U betast, en dan vraagt de politie, maar goed, dat heb ik al heel vaak gevraagd, hoe kon je haar onder controle houden in deze situatie, want u bent aan het betasten. Waar is het mes dan als u aan het betasten bent?

Jasper: Dat kan ik niet met 100% zekerheid zeggen. Ik neem aan dat ik het nog in één van mijn handen had, maar dat is een aanname.

 

Strelen met een mes in de hand?

 

Voorzitter: Vraag van de politie, maar die heb ik al diverse malen op een andere manier gesteld: Hoe zorg je dat zij blijft liggen? Maar goed, u zegt: dat weet ik niet. Dan weet u het niet. Ook de bindsporen op de handen, daar hebben we het over gehad. Er bestaan inderdaad vermoedens, want dat zou wel iets kunnen verklaren, dat zij gebonden is geweest en dat er daarom geen verzet was. Het zou kunnen. U kunt het zich niet herinneren? Er zat een knoop in de BH, dat heeft de politie u goed voorgehouden, een type knoop, een platte knoop, die maakte u ook veel, daar bent u vrij eerlijk in: Die knoop kan ik ook maken.

Jasper: Ik kan hem maken. Niet dat ik hem veel maak.

Voorzitter: U kunt zo’n knoop maken?

Jasper: Ik kan hem wel maken.

Voorzitter: Zo’n knoop zat dus in de BH. Vandaar dat ik weer bij dat binden terugkom, want het lossnijden is dan oké, dat is dan een gegeven, daar heeft u een bepaalde bedoeling mee gehad, die u dan niet meer helder op uw netvlies krijgt. Maar een knoop erin, dan zit je toch wel echt bij het binden. En daar weet u dus niks van?

Jasper: Nee.

Voorzitter: Marianne zal die knoop er niet in gemaakt hebben. De knoop zat er niet in toen ze van huis ging, denk ik?

Jasper: Ja, dat weet ik ook niet.

 

Feit is dat Marianne geboeid is geweest. De sporen zijn duidelijk zichtbaar op haar polsen. Jasper ontkent ten stelligste dat hij haar geboeid heeft. Over de knoop weet hij ook niks. Waarom gaat er geen lichtje branden bij de rechters? Of weten zij al dat dit een politiek proces is, waarbij de verdachte veroordeeld moet worden, ook al kraamt hij de grootst mogelijke onzin uit?

 

Voorzitter: Nee, ga er maar vanuit. Daar hebben we geen informatie over in ieder geval. En dan, zonder een bepaald standpunt in te nemen, maar het is wel een heel klein beetje ‘één en één is twee.’ De BH wordt losgesneden, er komt een knoop in, bindsporen op de handen, polsen. Ik houd het u voor. U zegt: Ik weet het niet. Maar het lijkt wel ontzettend op vastbinden. Dat bent u toch met me eens? Dat het erop lijkt?

Jasper: Uh… U mag vinden wat u wilt… van de situatie.

 

Met andere woorden zegt Jasper hier: Waarom voeren we deze show nog op? Veroordeel mij nu maar zonder lastige vragen te stellen.

 

Voorzitter: Nee, dat begrijp ik. Maar het lijkt er heel erg op, als ik dit noem, de striemen op de polsen. Men geeft ook aan hoe die veroorzaakt kunnen zijn. Niet door een draad, u had geen touw bij zich. Het is ook met een stand-in uitgeprobeerd, het vastbinden. En dan die knoop. En het feit dat u die BH losgesneden hebt.

Jasper: Uh… Als u zegt dat één en één twee lijkt, maar ik heb mijn slachtoffer niet aan de polsen gebonden met die BH.

Voorzitter: Mmm, en kunt u zeggen, als u het geweest bent die de knoop in de BH gemaakt heeft, waarom u dat gedaan heeft?

Jasper: Nee. Waarom en op welk moment die knoop in die BH gekomen is, kan ik u geen duidelijkheid over verschaffen.

Voorzitter: Maar u moet het wel gedaan hebben? Of niet?

Jasper: Dat zeg ik niet. Ik kan mij dat niet herinneren hoe die knoop erin gekomen is.

 

Jan Vlug ziet het weer fout gaan en schiet te hulp. Hij probeert vervolgens het ongeloofwaardige beeld van de verkrachting toch nog wat geloofwaardiger te maken. Hij kan het zich wel voorstellen. Een echte advocaat had allang gezegd: Edelachtbare, mijn cliënt vertelt zo’n onzinnig verhaal, dat in tal van opzichten in strijd is met de feiten, dat we ons moeten afvragen of hij dit wel gedaan heeft. Ik eis vrijspraak!

 

Vlug: Eerst over die kleding lossnijden, die vragen die u meneer Steringa voorhoudt, dat hebben wij natuurlijk ook gedaan, dezelfde exercitie, de politie heeft het ook gedaan. Ik heb bij mezelf toch geprobeerd om me die situatie voor te stellen. Zij heeft weliswaar verzet opgegeven maar weet niet wat er komt. Ze ligt op haar rug Zo’n broek die doe je naar beneden, maar dat is al een enorm gedoe als je iemand op de grond moet houden. Zij ligt op de rug, nou trek die maar eens de kleding uit. Dus… ik heb ook even gedacht zoals u, maar ik ben later toch, als je het visualiseert en ziet dat iemand het slachtoffer op de grond probeert te houden, op zo’n jas, in een weiland, dan kan ik me er wel wat bij voorstellen, als je dat mes toch al in de hand hebt, dat je snip snip die twee draadjes, u heeft het zelf gezien, zo’n BH en slipje, dat stelt eigenlijk niks voor. Dat is met twee keer snijden gebeurd. Als je dan later die kledingstukken die kapotgesneden zijn als bewijsmiddel op de foto’s ziet, dan zijn dat hele aangrijpende, intimiderende, zoals u zelf ook zei, bewijsstukken. Als je probeert te visualiseren hoe het daar in dat weiland is geweest, ja, dan moet ik zeggen dat ik het dan toch wel begrijp. Ik keur het natuurlijk niet goed maar ik kan me er wel iets bij voorstellen. Ik kan het me beter voorstellen dan toen ik voor het eerst die kapotgesneden kledingstukken op de foto zag, want dan vliegen die foto’s inderdaad door de keel, dat is pure intimidatie geweest. Als je iemand op de grond wil houden en uitkleden tegelijk, ik geef het je te doen.

Voorzitter: En dan die knoop nog, hè?

Vlug: Dat brengt mij op mijn tweede opmerking. Ik ben nog niet zo ver, maar meneer Steringa heeft die BH nog een keer ter hand genomen en mogelijk is die knoop er op dat moment in gekomen.

 

Er komt een knoop in een BH door die alleen maar ter hand te nemen? Denkt Vlug dat we kleuters zijn?

 

Voorzitter: Ja, wellicht, uiteraard zullen we dat in het pleidooi gaan horen maar ik wil het graag van meneer Steringa horen.

Vlug: Ja, maar ik denk voordat er een bepaald beeld ontstaat, ook bij mensen op de tribune, uh… je kunt naar bepaalde bewijsmiddelen op verschillende manieren kijken. Dan is het van belang dat in een vroeg stadium ook onze kant van de zaak wordt gezien.

 

Wow! Vlug is weer bezorgd over het beeld dat op de tribune kan ontstaan. Niet eens bij de rechters, maar op de tribune! Het beeld van: Sorry, maar we geloven het niet meer. Vandaar dat er geen camera’s bij mochten!

 

Voorzitter: Nee zeker, dat is ook uw goed recht en ik kan u verzekeren dat het definitieve beeld dat bij ons zal ontstaan, zal op het moment van de uitspraak zijn. Maar wij houden met alles rekening en vandaar ook. Het mooiste zou zijn, maar het hoeft niet, maar goed, ik hoor het de heer Steringa meerdere malen zeggen dat hij over bepaalde aspecten een verklaring geeft. Want het zijn wel vragen waar je allerlei interpretaties aan kunt geven, althans antwoorden.

OvJ Henk Mous: Ik heb tot nu toe nog geen vragen gesteld omdat ik van mening ben dat dit aan het eind misschien het beste is ook voor het verloop van het verhoor. Maar ik vind dat nu de raadsman reageert, het wel van belang om ook even te reageren, want de raadsman verklaart nu eigenlijk, of hij geeft het aan: Je moet je voorstellen dat je iemand op de grond moet proberen te houden en dan de slip uit te trekken. Ik dacht dat het zo was dat Marianne geen enkel verzet meer bood, dus ik weet niet of ik deze vraag aan de raadsman moet stellen of aan…

Voorzitter: Nou, ik denk dat als u een vraag moet stellen dat u die dan aan meneer Steringa zou moeten stellen.

OvJ Henk Mous: Dan wil ik ook graag dat de raadsman zich beperkt tot zaken die voor zijn cliënt van belang zijn en niet zelf enige beïnvloeding daaraan gaat geven.

Voorzitter: Nee, maar ik zie het ook als vooruitlopen op het pleidooi en ik heb ook aangegeven dat ik met meneer Steringa van doen heb en dat is voor mij op dit moment van belang, want u was daar ook niet bij. Ik ga verder.

Rechter A: Meneer de voorzitter, mag ik een vraag stellen aan meneer Steringa?

Voorzitter: Ja.

Rechter A: Meneer Steringa, op het moment dat u de kleding kapot snijdt van Marianne, was Marianne toen nog bij bewustzijn? Was zij nog helder?

Jasper: Ja.

Rechter A: Dat weet u zeker? Ja?

Jasper: Ja.

Voorzitter: Ik kom daar zo meteen ook nog even op, hoor, want dat is het andere aspect. U zit aan haar borsten, u heeft de BH doorgesneden en nou, ik begrijp van uw raadsman dat we daar op verschillende manieren naar kunnen kijken, dat doen we sowieso, maar u weet het eigenlijk niet. Die knoop, ja één en één is twee zullen we dan maar zeggen en dan moeten we maar kijken wat we ermee doen. Uh… na de BH trekt u haar broek uit, of niet? De chronologische volgorde is niet altijd even duidelijk, maar dat mag u zelf zeggen.

Jasper: Die kan ik me in zoverre ook niet heel goed herinneren…

Voorzitter: U gaat van boven naar beneden, hè? Zo staat het in het proces verbaal.

Jasper: Zo staat het wel in mijn geheugen.

Voorzitter: Goed, zullen we het even aflopen, dan moet u maar zeggen of het klopt of niet. Wat ik lees is dat u van haar borsten richting haar kruis gaat, zegt u bij de politie, voor meelezers pagina 503, u streelt haar en u trekt haar lange broek naar beneden?

Jasper: Ja.

Voorzitter: Ze heeft haar schoenen aan. Hoe ging dat?

Jasper: Ja, daar heb ik ook geen herinneringen aan. Uh… ik heb die broek naar beneden getrokken, ik kon me ook niet herinneren wat voor soort broek Marianne droeg.

Voorzitter: Ging het makkelijk? Als het een strakke broek is gaat het moeilijker dan met een wijde broek. Hoe ging dat?

Jasper: Ja… daar zat ik over te dubben… en toen hebben ze me te kennen gegeven dat één been uit de broekspijp was.

Voorzitter: Dat heeft u van de politie gehoord?

Jasper: Ja.

Voorzitter: Dat bleek ook op de foto’s. Heeft u die foto gezien?

Jasper: Ja, die foto heb ik gezien.

Voorzitter: Riep dat een herkenning op? Of een flashback?

Jasper: Nee, niet eens. Maar ik had toen… eh… Ik heb die broek dus over één schoen heen getrokken.

 

De ‘herinnering’ komt dus niet uit hemzelf maar uit het politieverhoor en de foto’s die hem voorgeschoteld zijn.

 

Voorzitter: Weet u dat nog of weet u dat uit het verhoor?

Jasper: Dat is mij duidelijk geworden aan de hand van die foto en de opmerkingen van rechercheurs.

Voorzitter: Dus u zegt: Ik heb er geen herinneringen aan maar men heeft het mij voorgehouden en dan neemt u het aan dat het zo is?

Jasper: Ik had die herinnering niet, maar toen mij die foto voorgehouden werd, toen kon ik het mij wel weer herinneren.

Voorzitter: Welke herinnering heeft u wel van het uittrekken van die bovenbroek?

Jasper: Ja, zoals ik al aangaf, nadat mijn geheugen opgefrist was met die foto, en met die opmerking van de rechercheurs, kon ik het mij wel weer herinneren.

Voorzitter: Maar wat herinnert u zich dan?

Jasper: Dat… ik… uh… haar bovenbroek naar beneden getrokken heb en daarbij één broekspijp over een schoen.

Voorzitter: Ik vraag het u weer, en u zult het vervelend vinden, maar ik blijf het doen: Wat was de houding van Marianne toen? U trekt haar broek uit.

 

Jasper: Zij lag op haar rug op dat moment.

Voorzitter: Te liggen? Of te bewegen? Of te schreeuwen? Of te…

Jasper: Nee, ze lag op haar rug.

Voorzitter: Ze liet het toe? Marianne liet dit toe?

Jasper: Ja.

Voorzitter: Flauw gevallen? Angst?

(Stilte)

Jasper: Angst. Ik had het mes. Het mes was er nog.

Voorzitter: Oké, u trekt die broek uit en u weet dan: Eén broekspijp heeft u over de schoen kunnen krijgen, waardoor u dan ook meer ruimte had gemaakt om haar benen gespreid te kunnen krijgen. Dat zou anders niet lukken. De politie vraagt u: Weet u nog waar ze haar handen had? Die vraag neem ik even over. Weet u nog wat u bij de politie geantwoord heeft?

Jasper: Ik weet niet waar zij haar handen had.

Voorzitter: U weet niet waar zij haar handen had. Dan heeft u haar bovenbroek uit. En dan?

Jasper: Dan… uh… snijd ik het slipje door.

Voorzitter: Ja, en uit het sectierapport blijkt dat u haar mogelijk geraakt heeft bij het doorsnijden van haar slipje. Althans aan de binnenkant van de dijen, het dijbeen, daar zijn twee wondjes. Dat weet u?

Jasper: Dat weet ik, dat is mij voorgehouden tijdens het verhoor.

Voorzitter: En kunt u zich daar iets van herinneren? Want ik kan mij voorstellen dat… nou ja, ik weet niet in wat voor toestand u was, maar deels was u er niet bij, verklaart u steeds, en deels was er wel een behoefte om seks te hebben. U had u inmiddels laten pijpen, dus het zou mogelijk kunnen zijn dat u in de opwinding haast had, of hoe moet ik het zeggen? Dat het misschien ook redelijk ruig gegaan zou zijn, het slipje doorsnijden, kan dat?

Jasper: Ik kan mij heel moeilijk herinneren dat ik haar geraakt heb met het mes.

Voorzitter: Zou het gebeurd kunnen zijn? We zien in het sectierapport dat…

Jasper: Ik heb haar kledingstukken van haar lichaam getrokken voor ik begon te snijden, onder andere het topje, opgestroopt bij elkaar geknepen in de benedenhand, en dat heb ik aangetrokken van de borst af, zodat het mes veilig er doorheen kon snijden.

Voorzitter: Het mes was wel scherp, hè, of niet?

Jasper: Ja.

Voorzitter: Gaat u verder. Dat had u doorgesneden. En toen?

Jasper: Ik heb met haar BH hetzelfde gedaan, en ik heb met haar slip precies hetzelfde gedaan. Die heb ik eerst van het lichaam getrokken voordat ik begon te snijden met de kleding.

Voorzitter: En toch weer even zo’n vraag, ik stel hem wel, zegt u nou: Ik weet niet of ik haar geraakt heb, of zegt u: Ik weet zeker dat ik haar niet geraakt heb.

Jasper: Ik weet zeker dat ik haar niet geraakt heb.

Voorzitter: Hoe kunt u daar zo zeker over zijn als u een heleboel dingen niet meer weet?

(Stilte zonder antwoord)

 

Marianne heeft twee prikwondjes, maar Jasper weet zeker dat hij haar niet geraakt heeft met zijn mes. Het zoveelste feit waar zijn bekentenis in strijd is met de onderzoeksresultaten.

 

Voorzitter: Want u weet toch wel welke consequentie daaraan verbonden wordt, hè? Door de mensen die daar kijk op hebben. Weet u waar ik op doel?

Jasper: Nee, zegt u het maar.

Voorzitter: Wat men zegt is, dat zij veel meer had moeten bloeden, toen zij geraakt werd. En als dat niet gebeurt, ik heb het over het raken, het snijden met een mes, ik heb het over de binnenkant van het dijbeen, dan zou zij al dood kunnen zijn. Want anders gaat het bloed stromen. Dan is er een bloedcirculatie die er dan nog is. Bij slagaders is het anders, wat we straks bij de hals zullen zien, maar daar zou dus de situatie aanwezig kunnen zijn dat Marianne helemaal niet meer leefde. Of in ieder geval buiten bewustzijn. Dat is een optie die de sectie uitwijst, de patholoog-anatoom meegeeft.

 

De rechter beroept zich op de onderzoeksresultaten dat Marianne niet gebloed heeft. Later zal hij het verhaal van Jasper en OvJ Henk Mous accepteren dat Marianne is doodgebloed waarbij er een plas bloed ontstond van bijna drie liter. De rechter is dus of niet wakker of hij houdt dit proces voor de bühne.

 

Jasper: Ik heb haar niet geraakt met het mes. Uh… Ik heb het technisch proces verbaal ook doorgenomen. Daar werd ook melding gemaakt van andere wondjes. Die waren waarschijnlijk enkele dagen oud, staat er in het rapport. Die heeft zij ook op één of andere manier opgelopen. Zo zou zij ook die wondjes hebben kunnen oplopen… voordien.

Voorzitter: Het zou kunnen, maar toch wordt ook een stevige aanwijzing in een andere richting gegeven. En of het zo is dat weet ik niet, maar het wordt aangegeven. U snijdt haar slipje door, daar waren we, en wat gebeurt er dan? Het slipje is doorgesneden, haar bovenbroek is uit. Vertelt u het eerst eens even in uw eigen woorden.

Jasper: Uh… dan leg ik mijn mes ergens aan de kant.

Voorzitter: Waarom doet u dat? Waarom is het mes dan niet meer nodig?

Jasper: Omdat ik haar handen… omdat ik haar bij de polsen had gepakt.

Voorzitter: Oké.

Jasper: En ik ga op Marianne liggen… en dan dring ik bij haar binnen.

Voorzitter: Dan dringt u bij haar binnen. Met uw penis. Dat klopt?

Jasper: Ja.

Voorzitter: En daarmee staat het tweede onderdeel van de verkrachting vast. U verklaart hier: Dat heb ik gedaan!

Jasper: Klopt.

Voorzitter: Dat klopt, hè? En Marianne?

(Stilte)

Jasper: Ik weet het niet.

 

Hij weet zelfs niet hoe Marianne tijdens de verkrachting reageert? Had hij niet beter een opblaaspop kunnen nemen?

 

Voorzitter: Dat weet u niet? Is dat verdringen? Niet willen zeggen?

 

De rechter laat hier een mogelijkheid achterwege: Is dat omdat u het in feite helemaal niet gedaan hebt?

 

Jasper: Uh… niet willen zeggen is niet aan de orde. Niet verdrongen hebben, het is het niet kunnen herinneren. Dat is heel vaak aan de orde.

Voorzitter: Ja, ja… ja. Dan een tampon. Dat kon u zich ook niet herinneren. Wel naar uw raadsman toe, zegt u. Vertel eens, wat was dat nou precies, want ook dat is weer een stukje informatie dat heel goed zou kunnen kloppen. Marianne was in de laatste periode van haar ongesteldheid.

 

Jasper: Uhh… toen wij dus op de plek aankwamen waar ik haar had laten stoppen… uh… heb ik haar op één of andere manier duidelijk gemaakt wat ik wou…

Voorzitter: Hoe?

Jasper: Dat weet ik niet meer, kan ik me niet meer herinneren. Ik heb het gezegd waarschijnlijk of ze heeft het misschien ook wel afgeleid uit de reeks gebeurtenissen tot dan toe, maar zij heeft toen zelf aangegeven dat ze ongesteld was en dat ze een tampon droeg.

Voorzitter: Mmm, zou dat een poging geweest kunnen zijn om de verkrachting te voorkomen? Zeggen van: ik ben ongesteld? U heeft aangegeven wat u wou. Wat u wou was dat zij begon met pijpen. Nou, dan zit er een tampon, daar heb je geen last van. Waar komt dit ter sprake?

Jasper: Zij heeft die tampon, zij heeft die zelf verwijderd. En uh… voor het pijpen heeft ze dat al gedaan.

 

Eindelijk herinnert Jasper zich iets van het gedrag van Marianne. Maar dat is dan ook meteen ongelooflijk: Zij verwijdert vrijwillig haar tampon nog voordat zij gaat pijpen. Zo van: Ga je gang maar met je verkrachting! Ik zal je niets verhinderen.

 

Voorzitter: Mmm, en waar? Waar was u toen? Lag ze al? Zij stond op de plaats delict?

Jasper: Ja, plaats delict.

Voorzitter: Niet langs de boomwal?

Jasper: Nee, plaats delict.

 

Er is dus heel wat voorgevallen op de plaats delict. Staan, knielen, pijpen, liggen, verkrachten. Toch knap dat het gras dan zo rechtop is blijven staan.

 

Voorzitter: Waar is die tampon gebleven?

Jasper: Die heeft zij weggeworpen in de richting van de boomwal.

Voorzitter: Mmm, het punt is: Die tampon wordt niet gevonden.

Jasper: Nee, daar heb ik me ook over verwonderd, toen ik het proces verbaal doorlas.

Voorzitter: Ja, terwijl het onderzoek vrij minutieus was. Tot en met grassprieten hier en daar, die zijn onderzocht. Ik lees dat er destijds onderzoek is gedaan op de plaats delict en dat er geen tampon is aangetroffen. Er wordt nog een optie geopperd die opmerkelijk is. Weet u nog wat er in dat verband in het technisch proces verbaal staat?

Jasper: Nee, die optie die u bedoelt staat me even niet voor de geest.

Voorzitter: Dat u mogelijk die tampon meegenomen zou hebben?

Jasper: Echt niet.

Voorzitter: Hij wordt niet gevonden, maar hij was er wel?

Jasper: Hij was er wel, ja.

Voorzitter: Er zijn objectieve aanwijzingen dat Marianne ongesteld was. U zegt, en dat zou kunnen kloppen met het verhaal: Er was een tampon. Die tampon zou ze eruit gehaald hebben. Een dertienjarig onderzoek, het moest en zou opgelost worden, en die tampon wordt niet gevonden.

Jasper: Nee. Die hadden ze moeten vinden tijdens het onderzoek van de plaats delict. En uh… ik weet niet hoe goed zij gezocht hebben. Hij is mogelijk in de braamstruiken beland.

Voorzitter: Ik ga eens aan de officier vragen, ik heb van de officier begrepen wat betreft het onderzoek ter plaatse destijds, of er nou een tampon in de braamstruiken van de boomwal gegooid zou zijn. Zou dat gemist kunnen zijn? Of is dat onvoorstelbaar?

OvJ Henk Mous: Als ik uitga van het onderzoek van de technische recherche van de plaats delict, en de boomwal reken ik tot de plaats delict, want dat was slechts een meter van waar Marianne gelegen heeft, de enge plaats delict, dan wordt die gehele boomwal nagekeken, en dan wordt er verder gekeken, of er nu braamstruiken zijn of niet. Het is natuurlijk wel de vraag… uh… Marianne heeft er vermoedelijk 8 uur gelegen, dus die tampon kan daar ook hebben gelegen. Geen idee, als hij daar gelegen heeft, want ik heb daar misschien een andere opvatting over, dan zou die zelfs misschien door een dier meegenomen kunnen zijn. In ieder geval is het onderzoek dusdanig geweest, die tampon is niet gevonden, dan kunnen we er ook vanuit gaan dat die er bijna zeker niet gelegen heeft.

 

Henk Mous komt met de stelling dat een kraai de tampon lekker gevonden zou hebben, omdat er bloed opgezeten zou hebben. Maar die kraai laat de snijwond van Marianne ongemoeid. Hoe gek willen we het hebben?

 

Voorzitter: Want dan was die gevonden, zegt u?

OvJ Henk Mous: Uitgaande, nogmaals, van het technisch rechercheonderzoek, zoals dat zeker op de enge plaats delict gebeurt, had dat gebeurd moeten zijn.

Voorzitter: Het is een beetje ‘als dan’, dat realiseer ik mij heel goed, maar ik wil de vraag wel gesteld hebben, want het is natuurlijk wel iets wat aan de orde gesteld wordt van de zijde van de verdachte zelf. Dus weer het waarom, maar daar hebben we al een aantal malen over gevraagd. U zegt ook bij de politie: Zij moest in de gaten hebben gehad wat er ging gebeuren. Goed, het snijden aan de binnenkant van de dijen, dat weet u niet meer, althans u zegt: Dat zal niet gebeurd zijn. De consequenties die daaruit getrokken worden, daarvan zegt u: Ja, dat zal dan wel, eventueel. En dan? U heeft vaginale seks. Ik vat het dan maar zo op, deels in een roes en deels niet, maar de handelingen om seks te krijgen, die gaan allemaal perfect. U krijgt Marianne zoals u haar wilt hebben, de kleding gaat uit, het pijpen dat gebeurt, vaginale seks dat gebeurt. Er is toch het vermoeden van anale seks, maar goed, dat heeft u bij de politie uitvoerig ontkend, maar er is in ieder geval sperma in de anus aangetroffen. Kunt u daar iets over zeggen?

Jasper: Uh… ik ontken haar anaal verkracht te hebben. Dat is niet gebeurd.

Voorzitter: Is niet gebeurd. En dan? U heeft vaginale seks met haar gehad. En wat gebeurt er dan?

Jasper: Dan… uh… raak ik in volslagen paniek.

Voorzitter: Kunt u zeggen wat uw gemoedstoestand nu anders maakt? Want vanaf de Jeltingalaan was het doel duidelijk seks. Ik heb u gevraagd of u het risico nam herkend te worden, maar daar stond u niet bij stil. U gaat eigenlijk gewoon vrij risicovol aan de slag. Waar komt nou die paniek vandaan?

Jasper: Uh… Misschien kunt u een parallel trekken met dat moment in 2008. Toen ben ik eigenlijk ook wakker geworden uit een roes. De trigger was toen de politieauto. Op een bepaald moment na de seks was die roes weg.

 

Maar dat verklaart nog niet de paniek.

 

Voorzitter: Dus de seksuele bevrediging bracht u terug tot, hoe moet ik het zeggen, de werkelijkheid?

Jasper: Ja, als je het zo wilt stellen.

Voorzitter: Ja, ik houd het u voor, hoor.

Jasper: Ja, ik kan dat niet precies aanduiden, of dat nou kwam door de seksuele bevrediging of niet. Op dat moment kwam ik wel weer zo ver bij mijn positieven dat…

Voorzitter: De paniek sloeg toe?

Jasper: Ik besefte op dat moment waar ik mee bezig was.

Voorzitter: Ja, maar dan kun je ook hard weglopen!

Jasper: Ik begon te beseffen, de paniek sloeg toe. (Stilte). Ik dacht aan mijn gezin. En aan ontdekking en wat het teweeg zou brengen. Dat schoot allemaal door me heen en ik was uh… volslagen in paniek op dat moment.

Voorzitter: En het keerpunt is het seksueel klaarkomen?

Jasper: Uh… die paniek sloeg toen wel toe. Na het klaarkomen.

Voorzitter: Mmm, en dan ligt daar een meisje in het gras en dat wilt u dood zien?

Jasper: Nee, ik heb geen analyse gemaakt. Ik heb in paniek gehandeld. Het was secondewerk, alles. Uh, ik heb haar omgedraaid en…

Voorzitter: Kon dat zo maar? Dat omdraaien?

 

Jasper: Dat weet ik niet, ik heb haar omgedraaid.

Voorzitter: Hier hebben we weer de willoze Marianne, hè?

Jasper: Ik kan mij niet herinneren dat ik daar veel moeite voor heb moeten doen.

 

Marianne laat zich zomaar omdraaien? Dat is bovendien een bewuste handeling die je niet in paniek doet.

 

Voorzitter: Mmm, want de angst die Marianne had kunnen hebben voor verkrachting, die was nu niet meer aan de orde, want ze was verkracht. Marianne had, als zij nog verlamd was geweest, als zij nog leefde, als zij niet bewusteloos was, nog maar één angst kunnen hebben dan. Voor het volgende. Waarvoor we hier vandaag ook zitten. Vertel eens, wat gebeurde er toen?

(Zeer lange stilte, Jasper zucht en steunt)

Jasper: Ik heb haar… in die paniek heb ik haar omgedraaid… ik heb om mij heen gegrepen, het eerste gepakt wat ik vast kon krijgen… en dat was haar BH… en die heb ik haar om het hoofd gedaan, gelegd, en aangetrokken. En in mijn beleving heeft dat maar heel kort geduurd… want ik hoorde haar nog steeds ademen, ik heb haar horen ademen toen. Uh… en toen heb ik in diezelfde paniek mijn mes gepakt en…

(Zeer lange stilte, Jasper zucht en steunt)

Jasper: Toen heb ik haar keel doorgesneden.

Voorzitter: Eén keer?… Twee keer?… Het was drie keer!… Klopt?

Jasper: Drie keer.

 

Kijk, zo’n detail weet Jasper dan nog weer wel. Dat is toch knap! Het aantal malen dat je gesneden hebt nog weten na 13 jaar.

 

Voorzitter: Drie keer.

 

(Lange stilte waarin Jasper snikt en zucht)

 

Voorzitter: Ik ga maar naar de schorsing. De zitting is geschorst.

 

Na de schorsing laat onze ‘opnameapparatuur’ het plots afweten. Gelukkig is het twitterverslag van Telegraafverslaggeefster Saskia Belleman bewaard gebleven zodat de bespreking van een cruciaal onderdeel van de zitting is ‘opgenomen.’

 

Rechter: Hoe lang zat BH om haar keel?

Jasper: Een moment, ik hoorde haar nog ademen. Ze bewoog niet, maar ik wist dat ze nog leefde.

Marianne had verwondingen op bovenbenen, vermoedelijk na haar dood toegebracht, zeggen forensisch deskundigen. Dat betekent dat Marianne tijdens verkrachting al dood was.

Rechter: Betekent dat keelsnede overbodig was.

Voeten Marianne stonden in ‘natuurlijke’ stand, weinig beweging rond haar benen. Zou allemaal betekenen dat ze wellicht dood was.

Jasper: Zou kunnen dat ze was flauwgevallen. Is me niet opgevallen.

Rechter: Ik kan me niet voorstellen dat ze zich niet verzet heeft.

Jasper: Ze is misschien zo onder indruk geweest van mes…

Rechter: Ze had niets meer te verliezen. Dan denk ik toch aan doodsnood.

Jasper weet niet hoe lang alles heeft geduurd.

Jasper: Ik denk hooguit 5, 10 minuten. Het was nog donker toen ik thuiskwam. Het is gegaan zoals ik heb gezegd.

Rechter: Maar u herinnert zich veel niet meer? Waarom wurgde u haar niet met uw handen? Durfde u dat niet?

Jasper: Kwam niet bij me op.

Jasper weet niet waarom hij Marianne op buik draaide en haar daarna wurgde. Meermalen als hij antwoord niet weet, verwijst hij naar 2008, de autodiefstal die hij in een roes zou hebben gepleegd.

Rechter: Weet u waarom u drie keer gesneden heeft?

Jasper: Nee.

Jasper heeft het over ‘minpuntje’ van processen verbaal politieverhoren. Zijn niet compleet, zegt hij.

Jasper: Er is communicatie met Marianne geweest, maar vraag me niet hoe of wat.

Rechter: Dan kunt u ook een stap verder zetten.

Rechter laat Jasper niet te makkelijk wegkomen met zijn geheugenverlies. Zaagt behoorlijk door. Advocaat Jan Vlug zegt dat Jasper’s herinneringen achteraf ‘behoorlijk bij elkaar gepuzzeld zijn’ Is niet zo hard.

Rechter: Waarom pakte u het mes? Dacht u: met die BH, dat gaat niet lukken?

Jasper zwijgt langdurig.

Jasper: Ik weet het niet.

Volgens Jasper duurde de wurging heel kort.

Rechter: Kan wurging voor verkrachting zijn geweest?

Jasper: Nee.

Rechter wil weten waarom hij het mes bewaarde.

Rechter: Meeste daders gooien het in de plomp. Weg ermee. U bewaarde het 13 jaar.

Jasper: De meeste mensen weten dat ik zuinig ben op mijn spullen.

Bovendien zou het opvallen dat hij opeens zijn zakmes kwijt was, nadat er meisje met doorgesneden keel werd gevonden, zegt hij.

Jasper: Ik heb het mes ook bij me gehouden als vorm van boete. Een soort waarschuwende werking.

Tegen gedragsdeskundigen zei hij dat het mes ‘onderdeel van hem’ was geworden, onwennig als hij het niet bij zich had.

Jasper: Toen ik hoorde van het DNA-verwantschapsonderzoek had ik nog kunnen vluchten. Heb ik niet gedaan. Geweten knaagde.

Jasper: Dat DNA op het mes kon zitten was geen issue meer. Achteraf kan ik zeggen dat gepakt worden een hele opluchting is.

Het knaagde meer aan zijn geweten dan hij dacht, zegt Jasper. Hij zegt dat hij het erg vond voor zijn gezin.

Jasper: Ik wilde graag bij opgroeien van mijn kinderen zijn.

Jasper: Ik weet dat mensen dat egoïstisch vinden nadat ik een kind van een ander heb gedood.

Rechter herhaalt hoe atypisch het voor Marianne is dat er geen verzet lijkt te zijn geweest.

Rechter: U weet het niet, of zegt het niet.

Rechter: Zeker in doodsstrijd is het bij de meeste mensen alles of niets. Tenzij ze al bewusteloos was.

Het gaat nu over Marianne’s rugzak. Zat bloed op. Heeft Jasper volgens de politie gebruikt toen hij Marianne’s keel doorsneed. Volgens politie gebruikte hij niet handen om Marianne’s hoofd op te tillen, maar schouderband van rugzak.

Jasper: Zou kunnen.

Overigens werd in de rugzak van Marianne een aansteker gevonden met een haar erin waarvan DNA matcht met dat van Jasper. Jasper zegt dat hij de aansteker nooit heeft gezien of in zijn handen gehad. Jasper heeft geweigerd foto’s te zien van Marianne’s lichaam.

Jasper: Ik heb al moeite genoeg om het te vergeten. Zie er tegenop.

Officier van Justitie Mous wijst erop dat foto’s zijn herinnering kunnen helpen. Belangrijk voor familie Vaatstra.

Jasper: Ik heb herinnering 13 jaar weggedrukt.

Hij wil er duidelijk niet aan. Zegt dat hij nu al slecht slaapt. Deel foto’s heeft hij wel gezien, zegt zijn advocaat. Niet de meest gruwelijke. Advocaat protesteert tegen onder druk zetten van Jasper. OvJ wil meer duidelijkheid over vraag waarom Jasper drie keer in hals sneed. Maar Jasper herhaalt dat hij het niet weet.

Jasper: Ik heb drie keer gesneden en toen haar hoofd laten vallen. Ik hoorde bloed stromen.

 

Hier zijn we aangeland bij de grootste absurditeit uit Jasper’s bekentenis. Hij hoorde bloed stromen? Zowel de rechter als OvJ Mous als Peter R. de Vries weten dat er op de vindplaats GEEN bloed is gevonden. Dit werd in de uitzending van Peter R. de Vries van mei 2012 nog als een primeur gebracht: Door het ontbreken van bloed op de plaats delict was het vrijwel zeker dat Marianne de keel doorgesneden werd nadat zij was overleden. Anders was er veel meer bloed gevloeid als het hart nog bloed rondpompte. Nu doet Jasper een verhaal dat lijnrecht tegenover de feiten staat. Mous verandert snel van onderwerp en geen van de heren zegt iets. Het teken dat wat hen betreft Jasper veroordeeld moet worden, ook al klopt zijn verhaal van geen kanten.

 

OvJ wil weten of Marianne heeft gezegd: Als je niets met dat mes doet, dan houd ik me rustig.

Jasper (zuchtend): Ik weet het niet. De dingen zijn gegaan zoals ze gegaan zijn. Jasper weet het niet meer. Klaagt over lange sessies met psychiater en psycholoog.

Jasper: Het is hun verslag.

Veel vreemde verklaringen van Jasper. Hij sneed kleding van Marianne voorzichtig stuk ‘om haar niet te verwonden.’

 

Och, de barmhartige Jasper wilde Marianne niet verwonden voordat hij haar bruut zou verkrachten, vervolgens te wurgen en tot slot drie keer de keel door te snijden, waarbij het bloed eruit spoot. Geen hond die dit gelooft.

 

Jasper: Het is best mogelijk. Het zou kunnen.

Dat horen we nogal eens vanmiddag. OvJ wil weten waarom hij Marianne op de buik draaide om te wurgen. Jasper zegt dat hij mogelijk beïnvloed is door filmbeelden.

OvJ Mous: Heel plat: was het praktischer?

Jasper: Dat is heel plat. Maar… Ja.

Advocaten vinden steeds dat OvJ suggestieve vragen stelt. OvJ heft zijn armen in de lucht in wanhoopsgebaar. Rechter vindt dat Jasper gewoon moet antwoorden. ‘Als hij dat niet kan, zegt hij het zelf wel.’ Antwoorden op gedetailleerde vagen komen steeds aarzelender.

Jasper: Ik kan het me niet minutieus herinneren.

Mous heeft geen vragen meer. Verdediging ook niet. Wel een opmerking. ‘Hoe kun je iemand wurgen die op rug ligt. Kan niet.’ Rechtbank heeft idee dat ‘de grote lijnen’ van feiten zijn behandeld. Veel gedetailleerder kon het niet. Zitting wordt zo geschorst. Daarna krijgen ouders en twee zusjes van Marianne het woord.

 

So far Saskia Belleman.

 

Duidelijk wordt dat Marianne nog leefde toen Jasper haar keel doorsneed. In dat geval – daar zijn alle onderzoekers het over eens – zou het niet anders kunnen zijn dat – zoals deskundigen aangaven – ‘massaal bloedverlies’ moet hebben plaatsgevonden. Maar dat bloed was er dus niet. Jasper’s verklaring klopt dus op een zeer, zeer belangrijk onderdeel niet. Maar niemand greep in. Niet de rechter, niet Jan Vlug, niet Henk Mous. Bijzonder is dat Jasper zich het ene bizarre detail wel weet te herinneren en het andere helemaal niet. Kennelijk heeft hij slechts een deel van de door de politie voorgekauwde lezing van wat er gebeurd was, kunnen onthouden maar veel ook niet. Opmerkelijk is dat Jasper steeds spreekt over ‘het slachtoffer’ hetgeen stereotype Proces Verbaal-taal verraadt. Steeds verwijst hij ook zelf naar het voorval van de joyriding in 2008, toen was komen vast te staan dat hij totaal niet meer wist wat hij gedaan had. Dat had de recherche hem kennelijk goed ingepeperd. Dat moest ie maar zoveel mogelijk aanstippen. Zelf, uit eigener beweging. ‘De rechter laat Jasper niet te makkelijk wegkomen met zijn geheugenverlies. Zaagt behoorlijk door’, twittert Belleman. In werkelijkheid doet hij dat juist helemaal niet. Hij grijpt niet in als Jasper’s verklaring volledig uit de pas loopt met de feiten zoals deze door de politie zelf zijn opgetekend.

Opmerkelijk is ook dat Jasper stelt: ‘Ik heb het mes ook bij me gehouden als vorm van boete. Een soort waarschuwende werking.’ Waar kennen we dat van: ‘een vorm van boete.’ Het is de exacte tekst van Jan Vlug uit zijn leugenachtige presentatie in de legendarische uitzending van Nieuwsuur. Jasper zou dat – ‘een vorm van boete’ – ook gezegd hebben toen hij binnen tien minuten de moord aan Vlug had opgebiecht. Door deze ‘bekentenis’ kon Vlug natuurlijk niet langer aansturen op het ontkennen van schuld. Vlug had nu een excuus om zijn cliënt niet over te halen tot een ontkenning van schuld, daar waar dat allemaal heel makkelijk had gekund. Elke zichzelf respecterende strafpleiter had – schuld of geen schuld – in het geval van Jasper gezegd: ‘Luister vriend, jij zegt gewoon dat je van tijd tot tijd op het AZC naar de hoeren ging. Dat er daar wat dames rondliepen die de hoer speelden. Je kende Marianne niet en je ging ervan uit dat het een AZC-er was of iemand van buitenaf die zich prostitueerde. Je hebt met Marianne seks gehad. Er was wel wat gedonder, maar je bent naar huis gegaan. Wat er daarna gebeurde dat weet je niet.’ Einde verhaal. Prachtig, het DNA-verhaal zou ook in één klap van tafel zijn gespeeld. Jasper had immers seks gehad met een meisje dat later de vermoorde Marianne Vaatstra bleek te zijn. Jasper zou onmiddellijk op vrije voeten zijn gesteld want er was verder geen spat aan bewijs. Nog geen grammetje. Jan Vlug speelde die kaart niet terwijl een meer gemakkelijker ‘way out’ niet denkbaar is. In samenhang met andere onderdelen van Vlug’s optreden is het allemaal heel goed te verklaren. Vlug speelde de kaart van het OM, dat kan niet anders. Jasper zei: ‘Toen ik hoorde van het DNA-verwantschapsonderzoek had ik nog kunnen vluchten. Heb ik niet gedaan. Geweten knaagde.’ Maar waar naar toe. Vluchten? Een boer uit Oudwoude met een gezin en een kolossale boerderij? Waarom is altijd buiten beeld gebleven dat Jasper doodnormaal had gereageerd toen hij in het kader van een buurtonderzoek een bezoekje kreeg van het RBT. Twee politieagenten hebben dat duidelijk verklaard. Veertien jaar lang is de moord niet uit de pers geweest en Jasper heeft nooit, nee nooit, gegoogled op ‘Vaatstra’ of andere relevante steekwoorden als ‘verwantschapsonderzoek.’

Het rugzakje waarover Belleman twittert is net als de vermaledijde aansteker niet noemenswaardig aan de orde gekomen terwijl het hier toch cruciale feiten betrof. Immers, het bloed op het tasje is nooit vergeleken met het DNA uit het sperma en al helemaal niet met het bloed op het trainingsjack van Ali Hassan. Het jack dat de lekkere jongens van het RBT hebben laten verdwijnen. Op de aansteker wordt helemaal niet ingegaan. Ook niet als Jasper zegt dat hij nooit een dergelijke aansteker in zijn bezit heeft gehad. Toch zit er een haartje in de aansteker dat volgens het NFI onomstotelijk van Jasper afkomstig is. En, stel dat dat ook werkelijk zo zou zijn, dan begrijpt een ieder de onwaarschijnlijkheid dat Jasper na de daad zijn eigen aansteker in Marianne’s tasje heeft gestopt. Nee, de rechter had tijdens de zitting zo maar vijf keer kunnen roepen: ‘Beste mensen, we stoppen hiermee. Dat onderzoek moet helemaal opnieuw. We hebben hier te maken met een verdachte van wie, ondanks zijn bekentenis en ondanks het ‘DNA-bewijs’, in recht en reden niet is vast te stellen dat hij deze moord gepleegd heeft.’

Als Jasper klaagt over lange sessies met psychiater en psycholoog en stelt dat het vooral ‘hun verslag’ is, legt hij de nadruk op ‘hun.’ Toch gebruikt de rechter de rapportages terwijl Jasper er nadrukkelijk geen handtekening onder heeft gezet. Wat te denken van Jasper’s opmerking: ‘ik sneed de kleding van Marianne voorzichtig stuk om haar niet te verwonden’ en vergelijk dat met de slachtpartij die kort erna plaatsvond. Geen journalist die het meldde of daar vragen over stelde.

Wat in ieder geval duidelijk vast kwam te staan, is dat Jasper verklaarde wat hij uit de pers kon weten dan wel wat hem was voorgekauwd. Wat hij niet kon verklaren ging altijd over feiten die hij ook niet kon weten: Echte daderkennis ontbrak.

Nee, voor de goede verstaander werd duidelijk waarom de rechtszaak feitelijk ‘achter gesloten deuren’ plaats moest vinden. Geen beeldopnames, geen geluid. Het zou dan allemaal controleerbaar worden. Het moest verbloemen dat het een schijnproces was. Dat hier eigenlijk de spreekpop van Jan Vlug een verklaring had afgelegd. Vlug, die al heel snel riep dat Jasper de moord ‘reeds na 10 minuten’ aan hem bekende waarmee hij het hele proces van horen en verhoren de facto in gijzeling nam en geen enkele ruimte meer over liet aan Jasper zelf. En was het niet vooral de angst dat Jasper op zijn ‘bekentenis’ – al dan niet per ongeluk – zou terugkomen die ervoor zorgde dat het ‘proces’ moest plaatsvinden zonder de mogelijkheid het te filmen of op te nemen. Met als argument dat ‘Marianne het zo gewild zou hebben?’ Nee, op beeld en met geluid zou een ieder al te gemakkelijk kunnen aantonen dat de ‘bekentenis’ van Jasper aan alle kanten rammelt. Volksverlakkerij van de bovenste plank! Deze eenzame dader hield met zijn ene hand Marianne vast en in zijn andere hand had hij een mes, met zijn derde en vierde hand zette hij tegelijkertijd twee fietsen weg! Dat soort onzin! Niemand deed iets. De rechters, de Main Stream Media en Jan Vlug: Ze dronken een glas, ze deden een plas en alles bleef zoals het was.

 

Advertenties

Over Wim Dankbaar

researcher/publicist/ondernemer
Dit bericht werd geplaatst in Joris Demmink, Marianne Vaatstra. Bookmark de permalink .

19 reacties op Jasper S.: Zijn verklaringen in de Zaak Marianne Vaatstra (deel I)

  1. Wim Dankbaar zegt:

    Nee, bedankt!

    Grappig toch weer dat James Files niet wordt genoemd. De enige man die ooit bekend heeft dat hij een shooter was in de JFK moord en nog steeds leeft, wordt weer buiten beschouwing gelaten.

    Wim

    Van: Reindert Groot
    Verzonden: donderdag 4 mei 2017 14:19
    Aan: Wim Dankbaar
    Onderwerp: O.a. Kennedy

    Ha Wim,

    Heb je deze al gezien?

    https://www.nytimes.com/video/us/politics/100000005070130/conspiracys-grip.html?action=click&pgtype=Homepage&version=timesvideo-heading&clickSource=story-heading&module=watch-in-times-video&region=video-player-region&WT.nav=video-player-region

    Groet,

    Reindert

  2. yvonne zegt:

    Wat ik eigenlijk héél erg vind, hier hebben journalisten bij gezeten, van de LC en het Frysk Dagblad, zij zijn allemaal mee gegaan in het hele fake-verhaal…..terwijl je als journalist of als oplettend burger direct denkt, waarom worden die vragen, die Jasper zich niet direct herinnert, waarom wordt daar niet direct op gedoken?

  3. N.E. Derlander zegt:

    “Er is toch het vermoeden van anale seks, maar goed, dat heeft u bij de politie uitvoerig ontkend, maar er is in ieder geval sperma in de anus aangetroffen. Kunt u daar iets over zeggen?

    Jasper: Uh… ik ontken haar anaal verkracht te hebben. Dat is niet gebeurd”.

    Als de rechter(s) hun oordeel baseren op de bekennende verklaring van Jasper S., dan moet deze herhaalde stellige ontkenning over de anale seks voor de rechters, politie of de OvJ (destijds) minstens even geloofwaardig zijn en aanleiding zijn geweest om door middel van een match tussen het DNA van het sperma en dat van de onbekende dader, die wel anale seks met Marianne gehad heeft, uit te zoeken wie deze onbekende dader is. Met de beschikbare ca. 8000 DNA monsters moet dat toch vast te stellen zijn? Uit het rechtbankverslag blijkt niets daarvan. Lijkt mij niet onbelangrijk om te weten of er nog een andere onbekende dader in het spel is, voor je iemand voor moord en verkrachting veroordeelt.

    • Zijn hier de DNA monsters van de Asielanten ook bij inbegrepen?

      • N.E. Derlander zegt:

        @Hennie Waanders

        Van alle uitgenodigde mannen zijn uiteindelijk 6823 mannen op komen dagen, bij wie een wangslijmvlies afname heeft plaatsgevonden. Of bij de uitgenodigde 7581 mannen ook van de op 30 april 1999 aanwezige Asielanten inbegrepen zijn is mij niet duidelijk.

        Overigens waren op Mariannes lichaam 13 dadersporen, waaronder spermasporen, aangetroffen. Ik vraag mij af of die allemaal tot een match hebben geleid. En of dit überhaupt is nagegaan. Het spermaspoor in de anus moet in ieder geval duiden op een andere verdachte/dader dan Jasper S. Hetgeen m.i. de veroordeling van slechts Jasper S. op z’n minst discutabel maakt.

        • We moeten niet vergeten dat de op Marianne gevonden sporen uiteindelijk niet meer het fysieke spoor zijn, maar een bestand. Een streepjescode.

          Wat ik van belang vind, maar slechts lastig kan vinden, zijn openbare uitingen in media dat ze anaal verkracht was. Het staat wel in het boek van Bert Bakker, maar verder kan ikbweinig originele bronnen vinden..

          Is er iemand met een archief van oude artikelen uit die tijd?

          • N.E. Derlander zegt:

            @ De Grijze Duif

            Er staat in het bovenstaande rechtbankverslag:

            “Er is toch het vermoeden van anale seks, maar goed, dat heeft u bij de politie uitvoerig ontkend, maar er is in ieder geval sperma in de anus aangetroffen. Kunt u daar iets over zeggen?

            Jasper: Uh… ik ontken haar anaal verkracht te hebben. Dat is niet gebeurd”.

            Er hoeft in dit geval niet per se sprake te zijn van verkrachting, maar gelet op het feit dat Marianne ongesteld was, is dat toch de meest realistische optie. Jasper S. ontkent herhaalde malen, met grote stelligheid dat hij Marianne anaal verkracht heeft, dus moet er in dat geval een andere dader zijn.

            • Sorry, ik kan niks met het verhaal van Jasper gezien hij het niet gedaan kan hebben… Dus alles wat hij zegt en de conclusies die daaruit getrokken worden gelden niet in mijn beleving.

              • N.E. Derlander zegt:

                @De Grijze Duif

                Mee eens, maar mijn stelling was: als de rechter Jasper S. gelooft als hij een bekennende verklaring aflegt, dan moet de rechter Jasper S. ook geloven als hij ten stelligste ontkent Marianne anaal verkracht te hebben. Maar dat blijkt niet uit de onderzoeksresultaten en dat vind ik vreemd.

                De vraag of Jasper S. gelooft moet worden in zijn bekennende en ontkennende verklaringen staan daar voor buitenstaanders m.i. los van. Het gaat om het verloop en de uitkomst van het proces. Daar zijn dus hoe dan ook vraagtekens bij te plaatsen.

              • Nu snap ik je en deel je mening.

  4. johnloup zegt:

    Het stond toch zelfs op het opsporings bericht en op de site vah OM?
    Het boek van Bert Bakker ken ik niet, dus is het echt wel overal te lezen ( geweest).
    In het vonnis heeft de rechter als verklaring gegeven, dat het ieniemieniebeetje sperma bij/door de sectie daar terecht is gekomen… ……. …..
    Logischer lijkt mij dat er andere aanwijzingen zijn geweest, waardoor er werd gesteld dat er sprake is van een anale verkrachting.

  5. johnloup zegt:

    Nee,op het opsporingsbericht staat het niet.

  6. johnloup zegt:

    In het recherchebulletin staat het sowieso.

  7. Wim Dankbaar zegt:

    http://www.eenvandaag.nl/justitie/32148/boek_over_moord_op_marianne

    “Marianne werd op haar buik gevonden. Ze was bijna naakt en zowel anaal als vaginaal verkracht.”

  8. johnloup zegt:

    Dus als Jasper gezegd had ‘Ja, ik heb haar anaal verkracht’ dan was het sperma er niet bij de sectie (door het NFI) gekomen?

    Zoiets moet dan tig jaar na dato geconstateerd worden, dat ze dus (omdat de ‘dader’ het zegt) niet anaal verkracht is?

    Zoiets kun je als rechter toch niet maken? Wat zegt dat over bijv. andere zaken?

  9. Ik heb ooit eens gelezen over dit soort moordenaars. Een moord is 1, maar een verkrachting erbij is alweer een heel ander kaliber. Een anale verkrachting daarbij brengt het echt op een heel bijzonder niveau van moordenaars. Die laatste 2 is iets waar Jasper onwaarschijnlijk toe behoort als je de audio van de rechtszaak luistert, en zelfs die eerste categorie valt overtuigend aan te twijfelen. Maar juist omdat die drie-eenheid in de Vaatstra zaak werd gecommuniceerd had ik er vanaf de eerste keer dat ik de audio hoorde enorme moeite mee dat Jasper de anale verkrachting zo krachtig ontkende, en dat de rechter daar zo makkelijk overheen stapt.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s