Geachte Theo,

Bedankt voor uw bodemvonnis. Eindelijk eens wat gerechtigheid. Eindelijk de bevestiging dat Yehudi op meerdere fronten onrechtmatig heeft gehandeld, misbruik heeft gemaakt van recht en op volstrekt illegale wijze mijn rekening heeft geplunderd. Eindelijk eens een rechter die recht spreekt wat krom was. Ik voelde meteen dat er een schappelijke vent tegenover me zat.

Toch ben ik nog niet tevreden. Ik zal toelichten waarom. Allereerst heeft u zich uitsluitend gebogen over de vraag of de dwangsommen verjaard waren, niet over de vraag of er uberhaupt dwangsommen verbeurd konden zijn. Dit zegt de wet:

Dwangsommen verjaren zes maanden na de dag waarop zij zijn verbeurd (art. 611g lid 1 Rv). Een dwangsom verjaart door verloop van zes maanden na de dag waarop zij verbeurd is, aldus het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De gedachte hierachter is dat voorkomen moet worden dat de schuldeiser door stilzitten dwangsommen ongelimiteerd zou kunnen laten oplopen. Deze korte verjaringstermijn hangt ermee samen dat de dwangsom is bedoeld als prikkel tot nakoming. Bovendien brengt de billijkheid mee dat degene aan wie de dwangsom is opgelegd, mede met het oog op zijn bewijspositie, binnen korte tijd van zijn wederpartij moet horen dat hij volgens die wederpartij dwangsommen heeft verbeurd.

Precies wat artikel 611 beoogt te voorkomen heeft Mr. Moszkowicz gedaan. Hij heeft stilgezeten in de hoop dat dat hij de door hem vermeend verbeurde dwangsommen ongelimiteerd kon laten oplopen. Zonder mij te informeren dat ik naar zijn mening dwangsommen aan het verbeuren zou zijn. Met andere woorden: Moszkowicz heeft de door hem vermeend verbeurde dwangsommen op geen enkele wijze aangewend als de bedoelde prikkel tot nakoming, waarbij ik dan ook redelijkerwijs niet bekend kon zijn met de vermeende verbeuring van dwangsommen.

Deze prikkel tot nakoming van het vonnis van 18 december 2013 is mij nooit gegeven. Integendeel! Maaike liet via diverse bronnen weten verguld te zijn met de verschijning van het boek, weliswaar met de toevoeging dat zij dit niet hardop mocht zeggen omdat zij dan problemen verwachtte met haar familie, maar dat doet daar niets aan af. Zelf tegen mijn toenmalige coauteur Hans Mauritz heeft zij dit gezegd, zoals ingebracht via het zogenaamde campingverslag. Ik ontving dus van mijn wederpartij geen prikkels tot nakoming maar juist het tegenovergestelde: Prikkels tot aanmoediging!

In een dergelijke omstandigheid kan er nooit sprake zijn van het verbeuren van dwangsommen, te meer ook omdat haar advocaat naliet om mij er binnen korte tijd op te wijzen dat ik dwangsommen aan het verbeuren zou zijn. Nu kan er nog getwist worden over wat een “korte tijd” is, maar we zijn het wel eens dat een korte tijd niet 10 maanden is.

U stond Moszkowicz weliswaar toe om een vermeend niet verjaard gedeelte nog wel tijdig te stuiten, maar ook hier ben ik het niet mee eens en heb daarom hoger beroep aangetekend. Moszkowicz heeft immers op geen enkele wijze binnen korte tijd na het vermeend verbeuren van de eerste dwangsom aan mij laten weten dat ik naar zijn inzicht dwangsommen aan het verbeuren was. Hiermee heeft Moszkowicz gezondigd tegen artikel 611g Rv, met name de bedoeling van dat artikel om een dwangsom aan te wenden als prikkel tot nakoming. De Hoge Raad legt dit uit als volgt:

“Toepassing van art. 3:324 lid 2 op de verjaring van verbeurde dwangsommen is ook niet in overeenstemming met de ratio van de korte verjaringstermijn van art. 611g lid 1, die is gelegen in de bedoeling van de dwangsom en de billijkheid […]. [De ratio van art. 611g lid 1 Rv] komt erop neer dat, wil de dwangsom daadwerkelijk beantwoorden aan zijn doel van prikkel tot nakoming, kort na het (gestelde) verbeuren ervan aanspraak op betaling moet worden gemaakt, en dat degene aan wie de dwangsom is opgelegd, binnen korte tijd duidelijk behoort te worden gemaakt dat hij naar het oordeel van zijn wederpartij dwangsommen heeft verbeurd of verbeurt, mede met het oog op zijn bewijspositie.
Met deze ratio van de korte verjaringstermijn van art. 611g lid 1 valt niet in overeenstemming te brengen dat, indien tegen de veroordeling waarbij de dwangsom is opgelegd, een rechtsmiddel is ingesteld, de verjaring van verbeurde dwangsommen geen aanvang zou nemen zolang niet op dat rechtsmiddel is beslist, met als gevolg dat degene die is veroordeeld, ook nog op een veel later moment dan na een half jaar voor het eerst kan worden aangesproken tot betaling van beweerdelijk verbeurde dwangsommen.”

Hoewel dit aspect wel is ingebracht, heeft u het niet meegenomen in het oordeel, althans zich er niet over uitgelaten. Naar mijn oordeel volledig onterecht. Voorts ben ik van mening dat wanneer binnen zes maanden (de verjaringstermijn voor dwangsommen) na het beweerdelijk verbeuren van de eerste dwangsom geen enkele mededeling is gedaan dat ik dwangsommen aan het verbeuren ben, er niet alsnog aanspraak kan worden gemaakt  op betaling van beweerdelijk verbeurde dwangsommen, voor zover die nog niet verjaard zijn.

Diezelfde mening geldt voor stuitingshandelingen: Wanneer binnen zes maanden na het beweerdelijk verbeuren van de eerste dwangsom geen enkele stuiting is gedaan in de zin van een ondubbelzinnige mededeling dat eiser aanspraak maakt op dwangsommen, kan na die zes maanden niet alsnog de verjaring gestuit worden van dwangsommen voor zover die nog niet verjaard zijn. Dat is niet de geest en de bedoeling van artikel 611g Rv. De Hoge Raad heeft dit in feite reeds zo toegelicht. In combinatie met het eerste aspect is dit zo mogelijk nog zwaarwegender. Immers, als mij kort na het gestelde verbeuren duidelijk was gemaakt dat ik dwangsommen aan het verbeuren was, had ik reeds veel eerder maatregelen kunnen nemen om de door Moszkowicz beweerde veroordeling na te komen en zodoende de hoogte van die dwangsommen te beperken. Deze prikkel tot nakoming is mij volledig onthouden. Voor mij is het zonneklaar dat Moszkowicz niet (voldoende) op de hoogte was van artikel 611g, zoals veel advocaten dat niet zijn, in die zin dat zij denken dat de verjaring niet gestuit hoeft te worden zolang nog niet is beslist op het finale rechtsmiddel. Datzelfde geldt voor de verplichting om de wederpartij te melden dat hij dwangsommen verbeurt. Dit is een misvatting waardoor Moszkowicz alleen al om die redenen de aanspraak op eventuele dwangsommen heeft verspeeld, zo die al verbeurd zouden zijn, wat ook betwist wordt.

De prikkel tot nakoming kwam pas 10 maanden later naar aanleiding van het arrest in hoger beroep. Was dat arrest nog 66 dagen later gewezen, dan waren alle dwangsommen verjaard. Dit is allemaal tegen de geest van de wet en het doel van de dwangsom. Een 10 maanden latere stuiting kan nooit rechtsgeldig zijn als eerder nooit aanspraak is gemaakt op dwangsommen.

4.2. Uitgangspunt is dat een advocaat die zich voordoet als procesvertegenwoordiger van een partij geacht wordt over een toereikende volmacht te beschikken, zodat de door deze advocaat verrichte proceshandelingen, alsmede het resultaat daarvan, aan de door hem (beweerdelijk) vertegenwoordigde partij kunnen worden toegerekend. De stelling van [gedaagde1] dat [eiseres] de hiervoor onder 2.18 vermelde verklaring (waarvan niet is betwist dat deze door [eiseres] is geschreven) niet uit vrije wil heeft opgesteld, is onvoldoende om te twijfelen aan de bevoegdelijke vertegenwoordiging van [eiseres] door mr. Moszkowicz. Daaraan kan niet afdoen dat [eiseres] eerder beweerdelijk toestemming heeft gegeven voor publicatie van het dagboek of het boek. In aanmerking genomen hetgeen daarover hierna onder 4.10 wordt overwogen, gaat de rechtbank ervan uit dat [eiseres] die toestemming, zo die al zou zijn gegeven, op enig moment heeft ingetrokken. De stelling dat de familie van [eiseres] , waaronder haar ex-man, degene is die niet wil dat de inhoud van het dagboek openbaar wordt gemaakt, leidt niet tot een ander oordeel.

Het is prettig dat u meegaat in de stelling dat Maaike eerder toestemming heeft gegeven voor publicatie van het dagboek. Dit wordt immers door haar advocaat bestreden.

4.12. Het beroep van [gedaagde1] op het citaatrecht slaagt evenmin. Ingevolge artikel 15a lid 1, aanhef en sub 1 Aw wordt het citeren uit een werk niet als inbreuk op het auteursrecht beschouwd, mits het werk waaruit geciteerd wordt rechtmatig openbaar gemaakt is. Daarvan is in onderhavig geval, zoals hiervoor overwogen, geen sprake. Voor zover het dagboek door [eiseres] aan anderen is verstrekt, is die verstrekking niet aan te merken als een rechtmatige openbaarmaking in de zin van genoemd artikel, gelet op de omstandigheid dat [eiseres] dat deed in de context van het onderzoek naar de moord. Dat geldt eveneens voor de vermeende medewerking van [eiseres] aan openbaarmaking van passages uit het dagboek door middel van het (laten) citeren daaruit in een tweetal toespraken, nu dit naar de stelling van [eiseres] slechts was ingegeven door de wens om zoveel mogelijk aandacht te vragen voor de moordzaak zolang nog geen helderheid bestond over de dader. Met de arrestatie en zeker met de veroordeling van de dader is dat doel bereikt. [gedaagde1] miskent met zijn betoog op dit punt eveneens dat onderscheid dient te worden gemaakt in de periode voorafgaand aan de arrestatie en veroordeling van de dader, en de periode daarna.

Het citaatrecht is een recht voor publicisten om delen van een auteursrechtelijk beschermd werk over te nemen. Dit recht is geregeld in artikel 15a lid 1 van de auteurswet. Dit artikel bepaalt:

“Als inbreuk op het auteursrecht op een werk van letterkunde, wetenschap of kunst wordt niet beschouwd het citeren uit een werk in een aankondiging, beoordeling, polemiek of wetenschappelijke verhandeling of voor een uiting met een vergelijkbaar doel.”

Het stelt daarbij onder andere als voorwaarde: “mits het werk waaruit geciteerd wordt rechtmatig openbaar gemaakt is.”

In 4.12 stelt u dat mij het citaatrecht niet toekomt want “voor zover het dagboek door de moeder van Marianne Vaatstra aan anderen is verstrekt, is die verstrekking niet aan te merken als een rechtmatige openbaarmaking in de zin van genoemd artikel, gelet op de omstandigheid dat de moeder van Marianne Vaatra dat deed in de context van het onderzoek naar de moord”.

Artikel 15a lid 1 van de auteurswet stelt geen voorwaarden aan de grond waarop de maker rechtmatig openbaar maakt. De openbaarmaking moet rechtmatig zijn. U erkent dat Maaike zelf het dagboek aan anderen heeft verstrekt, die verstrekking is een auteursrechtelijke openbaarmakingshandeling. Met de verstrekking aan anderen (meervoud) is openbaar gemaakt. Bovendien is deze verstrekking niet de enige auteursrechtelijke openbaarmaking geweest. U stelt ook dat Maaike medewerking heeft verleend  aan:

openbaarmaking van passages uit het dagboek door middel van het (laten) citeren daaruit in een tweetal toespraken”.

U vonnist zelf dat Maaike medewerking heeft verleend aan “openbaarmaking”. Daarmee is gegeven dat het dagboek rechtmatig is openbaar gemaakt in de zin van artikel 15a lid 1 van de auteurswet en een beroep van mij op citaatrecht niet kan worden afgewezen op de grond dat het werk waaruit wordt geciteerd niet rechtmatig openbaar is gemaakt. Dit nog afgezien van het het feit dat in het boek Maaike niet letterlijk wordt geciteerd.

Het zou anders zijn wanneer het dagboek bijvoorbeeld alleen was overhandigd aan een corrector om de spelling te controleren. Die omstandigheid doet zich niet voor. U stelt dat ik misken “dat onderscheid dient te worden gemaakt in de periode voorafgaand aan de arrestatie en veroordeling van de dader, en de periode daarna”.

Voor het citaatrecht doet het niet ter zake of er inmiddels een arrestatie en veroordeling van een dader heeft plaatsgevonden. Daar komt bij dat ik, zoals u weet, nu juist bestrijd dat “de dader” is gearresteerd en veroordeeld. Deze argumenten vinden geen grondslag in het auteursrecht om een publicist het citaatrecht te ontzeggen. U bestrijdt voorts niet dat Maaike haar dagboek aan anderen heeft verstrekt, hetgeen volgens artikel 15a lid 1 van de auteurswet reeds een rechtmatige openbaarmaking inhoudt.  Maar ik zal het u nog sterker vertellen: Niet alleen heeft Maaike haar dagboek aan anderen versterkt, zij heeft dit gedaan met het specifieke verzoek en doel om dit op grote schaal verder openbaar te maken. Dit is ingebracht als volgt:

In 2008 heeft Terpstra haar vriendinnen Klaske Ferwerda en Hilly Veenstra verzocht om te bezien of haar dagboek in boekvorm kon worden uitgebracht. Dit heeft geleid tot gesprekken met de Kollumer Courant en hun uitgeverij Banda. Die laatste heeft uiteindelijk laten weten dat zij afzagen van uitgave. Het is derhalve uitsluitend te danken aan de afwijzing van Banda dat het zogeheten dagboek van Terpstra nooit als boek is gepubliceerd. Ook in een interview met het weekblad Libelle verwoordde Terpstra haar intenties om het dagboek te laten publiceren: 

Ik heb er wel eens over gedacht mijn verhaal op te laten schrijven. Ik heb de afgelopen jaren allerlei stukken en aantekeningen verzameld. De titel heb ik al: De moord die niet opgelost mócht worden.

In het dagboek zelf beschreef Terpstra reeds in 2001 haar intentie om haar dagboek met het publiek te delen.

4.11. Het in dit verband aangevoerde verweer dat [eiseres] geen belang heeft bij haar vorderingen omdat de inhoud van het dagboek al op straat ligt, inmiddels algemeen bekend is en door anderen naar buiten is gebracht, kan [gedaagde1] niet baten. Hoewel vast staat dat het dagboek van [eiseres] ook is te raadplegen via andere websites, is gesteld noch gebleken dat op die andere websites sprake is van rechtmatige openbaarmakingen van het dagboek. Dat [eiseres] de beheerders van die websites niet heeft aangesproken op onrechtmatige publicatie – voor zover dat al juist zou zijn – kan daaraan niet afdoen. Dat [eiseres] andere partijen die eveneens delen van haar dagboek hebben gepubliceerd (vooralsnog) niet in rechte daarop aanspreekt, kan haar niet worden tegengeworpen. Het staat een partij vrij om ervoor te kiezen wie zij aanspreekt op inbreuk op haar auteursrechten. Niet onbegrijpelijk is dat [eiseres] in dit geval ervoor heeft gekozen om die partij aan te spreken die de inhoud van haar dagboek op internet openbaar maakt en een bewerking daarvan in boekvorm publiceert.

Sorry hoor, Theo, maar dit raakt echt kant noch wal. Het letterlijke dagboek lag al “op straat” 6 maanden  voordat mijn gewraakte boek uitkwam met een bewerkte niet letterlijke versie van het dagboek. Inderdaad zijn de beheerders van die websites daar niet op aangesproken. Dit impliceert ook weer een rechtmatige openbaarmaking onder het adagium: Wie zwijgt stemt toe!

Maar wederom is het nog sterker: Voordat mijn boek verscheen sloot Yehudi Moszkowicz een convenant met Micha Kat in de wetenschap dat Kat het dagboek reeds maanden daarvoor op internet had gepubliceerd. Een overeenkomst om elkaar niet in rechte te betrekken, in ruil voor intrekking van wederzijdse aanklachten. Kat is zelfs in het kader van dat convenant niet aangesproken op onrechtmatige openbaarmaking, nooit gesommeerd om het te verwijderen. Kun je dan niet stellen dat er toestemming is gegeven aan deze openbaarmaking en deze dus rechtmatig is geschied? Daar waar Moszkowicz een beweerd onrechtmatige openbaarmaking eenvoudig ongedaan kon maken, deed hij het niet. Uit eigenbelang!

From: micha kat [mailto:drsmkat@yahoo.com]
Sent: dinsdag 22 september 2015 0:23
To: Wim Dankbaar
Subject: Re: Thijs Stapel

Beste Wim,

Bij deze bevestig ik op jouw verzoek dat Yehudi Moszkowicz mij nimmer heeft gesommeerd de dagboeken van Maaite Terpstra te verwijderen van mijn website.

Met vriendelijke groet,

Micha Kat

De bewering dat hij dit “in overleg” met Maaike heeft besproken is in feite intelligentiebeledigend. Micha Kat was nu juist de eerste die haar dagboek integraal op zijn website had gepubliceerd en anderen aanspoorde dat ook te doen. Iets wat ik nooit heb gedaan. Bovendien was Micha Kat gewoon bereikbaar voor Moszkowicz. Sterker nog, hij zat om de tafel met Kat om een “niet aanvalsverdag” te sluiten. Een sommatie aan Kat onder dreiging hem in rechte te betrekken, was dus allerminst onhaalbaar. De bewering dat hij dit in overleg met Maaike heeft gedaan, strookt ook al niet met de herhaalde uitspraken van Maaike dat zij nimmer rechtstreeks contact heeft gehad met Moszkowicz, maar dat dit allemaal door “Bauke en de kinderen” werd geregeld.

Als we Moszkowicz mogen geloven heeft Maaike tegen hem gezegd: Laat mijn dagboek maar staan op de site van Kat, maar pak wel Dankbaar aan als hij met zijn boek komt!

Moeten we Moszkowicz dan nog serieus nemen dat Maaike het zo vreselijk vindt dat haar dagboek op diverse websites te raadplegen is? Is het dan nog steeds niet onbegrijpelijk dat [eiseres] in dit geval ervoor heeft gekozen om die partij aan te spreken die de inhoud van haar dagboek op internet openbaar maakt en een bewerking daarvan in boekvorm publiceert? 

Overigens heb ik haar dagboek nooit op internet openbaar gemaakt, dus dat is gewoon niet waar.

4.14. Met betrekking tot het onder 3.1 sub 6 gevorderde bevel tot vernietiging van alle gedrukte exemplaren heeft [gedaagde1] aangevoerd dat hij geen exemplaren meer in zijn bezit heeft en geen macht heeft over de restvoorraad die [gedaagde2] als uitgever bij het Centraal Boekhuis onder zijn beheer heeft. Het hof heeft in het kortgedingarrest van 16 februari 2016 (in het kader van de vraag of de dwangsommen gematigd dienden te worden) overwogen dat [gedaagde1] zich onvoldoende had ingespannen om de boeken vernietigd te krijgen. De rechtbank volgt dat oordeel van het hof voorzover het betreft de vraag of [gedaagde1] ten tijde van het arrest daadwerkelijk dwangsommen heeft verbeurd, nu, zoals door het hof eveneens overwogen, [gedaagde1] nagelaten heeft zich voldoende in te spannen om aan de veroordeling te voldoen. Dat betekent echter niet dat die situatie thans nog ongewijzigd is en dus een nieuwe veroordeling van [gedaagde1] rechtvaardigt. Inmiddels is veel tijd verstreken en oordeelt de rechtbank dat genoegzaam is komen vast te staan dat er voor [gedaagde1] op dit moment geen reële mogelijkheden meer bestaan om ergens nog eventueel rondzwervende exemplaren vernietigd te krijgen. De enige exemplaren waarvan aan te nemen valt dat die nog voorhanden zijn, zijn buiten de macht van [gedaagde1] gekomen, nu alleen [gedaagde2] , als uitgever, gerechtigd is deze terug te halen bij het Centraal Boekhuis en [gedaagde1] en [gedaagde2] thans kennelijk gebrouilleerd zijn en [gedaagde2] zijn medewerking weigert. In dit vonnis zal de vordering tot vernietiging daarom alleen tegen [gedaagde2] worden toegewezen. Daarmee heeft [eiseres] voldoende middelen in handen om zelf vernietiging van de bij het Centraal Boekhuis liggende exemplaren af te dwingen. Voorzover het gaat om exemplaren die [gedaagde1] zegt te hebben uitgedeeld, valt aan te nemen dat hij thans niet meer kan nagaan aan wie hij exemplaren heeft uitgedeeld, zodat het niet in zijn macht ligt om deze terug te krijgen. Dat [gedaagde1] zelf nog exemplaren in bezit zou hebben is tegenover zijn ontkenning te weinig onderbouwd gesteld door [eiseres] .

Dit vind ik ontzettend fideel, Theo! Je moet maar lef hebben om een arrest van een Hof te overrulen. Heel fijn dat u dit gecorrigeerd heeft! Dat er met de verstrijking van de tijd geen reële mogelijkheden meer bestaan om boeken terug te halen, vind ik dan wel weer een beetje onzin. Deze reële mogelijkheden bestonden ook al niet tijdens de uitspraak van het Hof. Bovendien kon ik onmogelijk weten dat het Hof met “alle gedrukte exemplaren” ook de reeds verkochte en/of weggegeven exemplaren bedoelde. Normaal gesproken wordt dat er in een vonnis uitdrukkelijk bij vermeld.  Ik heb dit nog tevergeefs gevraagd aan het Hof:

Overveen, 29 februari 2016

Edelgrootachtbare Mrs.Van Tuyll van Serooskerken Röell, Van Harinxma thoe Slooten en J.H. Huijzer,

Ik hoop dat u mij toestaat om u te vragen om uw arrest van 17 maart 2015, zaak nummer 200.149.179/01 KG, op twee punten nader te duiden.

Het gaat dan om 4.1 (3) waarin u bepaalt dat de beschrijvende versie van het dagboek zoals vervat in hoofdstuk 4 dient te worden te worden verwijderd, omdat dit hoofdstuk voldoende overeenkomsten vertoont met het oorspronkelijke werk van Terpstra om inbreuk te maken op haar auteursrecht. De onduidelijkheid bestaat hieruit of u daarmee ook bedoelt te zeggen dat er dwangsommen zijn verbeurd zoals deze werden opgelegd in het vonnis in eerste aanleg, dat de publicatie  van het dagboek verbood. Mijn advocaten stellen dat u dit niet heeft bedoeld, de wederpartij stelt van wel. Los van de vraag of ik kon weten dat ik met de publicatie van hoofdstuk 4 mogelijk dwangsommen aan het verbeuren was, heb ik iets anders gedaan dan wat het vonnis mij verbood. Ik heb het oorspronkelijke letterlijke werk omgevormd tot een beschrijvende versie die het werk niet letterlijk citeert, waardoor ik in de veronderstelling was dat ik geen inbreuk maakte op het auteursrecht en het vonnis daarmee naleefde. U heeft in arrest bepaald dat hoofdstuk 4 toch inbreuk maakt op het auteursrecht, maar kent u daarmee ook toe dat er dwangsommen zijn verbeurd?  Of moet het zo gelezen worden dat die dwangsommen niet zijn verbeurd en u nieuw recht doet door onder 4.2 (2) door hoofdstuk 4 te verbieden en de vernietiging van de oplage te gelasten op straffe van nieuwe dwangsommen? Het komt mij voor dat als de dwangsommen opgelegd in het vonnis niet van tafel zijn, het arrest dit duidelijk had vermeld. Aan de andere kant zegt het arrest ook niet expliciet dat ze wel van tafel zijn. Voorts lijkt het mij onwaarschijnlijk dat het arrest dat een schadevergoeding van 50.000 euro afwijst en de proceskosten compenseert, wel bedoeld zou hebben dat er een veel groter bedrag aan dwangsommen zou zijn verbeurd.  Kunt u mij alstublieft zeggen hoe het arrest op dit punt gelezen dient worden?

De tweede onduidelijkheid betreft een ander punt in 4.2 (2). Wat bedoelt het arrest precies met (de vernietiging van) alle reeds gedrukte exemplaren? Wordt dan de resterende voorraad boeken bedoeld van boeken die nog niet verkocht zijn en nog onder het eigendom van de uitgever vallen? Of worden ook de reeds verkochte boeken bedoeld die niet meer eigendom zijn van de uitgever? Ik ga uit van het eerste, omdat het praktisch onmogelijk is om de reeds verkochte boeken te doen vernietigen waarvan de kopers c.q. nieuwe eigenaars voor het overgrote deel niet identificeerbaar of te achterhalen zijn. Zo dit wel het geval zou zijn, zullen vele eigenaars niet zomaar afstand willen doen van hun eigendom. Het komt mij voor dat het arrest niet de bedoeling heeft om een maatregel op te leggen die onmogelijk is om uit te voeren.  Kunt u mij alstublieft ook zeggen hoe het arrest op dit punt gelezen dient worden?

Ik ben u bij voorbaat dankbaar voor uw toelichting

Met hoogachtende groet,

Wim Dankbaar
Niettemin bedankt voor het vonnis, Theo, maar u begrijpt nu vast waarom ik toch hoger beroep aanteken.

Ik begrijp overigens heel goed dat het geen usance is om rechters aan te spreken op hun vonnissen, maar anderzijds is dit ook gewoon een ongeschreven regel, die niet in de wet staat. Bovendien is het geen usance dat toppers van Justitie verkrachters en moordenaars een stiekeme vrijgeleide geven om er uiteindelijk een onschuldige veeboer voor te naaien.

Het is jammer dat je geen hoger beroep kunt aantekenen bij dezelfde rechter. Dan had ik zeker Theo gekozen.Want Theo is mans genoeg om toe te geven dat er geen speld tussen mijn bovenstaande betoog te krijgen is. Enfin, zoals ik al tegen Chris Klomp zei:
Van: Wim Dankbaar <dank@xs4all.nl>
Verzonden: vrijdag 26 augustus 2016 16:40
Aan: ‘Chris Klomp’
Onderwerp: RE:

Als recht altijd krom zou zijn had ik het allang opgegeven.

De titel van mijn blog slaat op die gevallen waar recht krom is. Ik denk dat dat nog geen 10% is.

Wim

Hartelijke groet,

Wim

Over Wim Dankbaar

researcher/publicist/ondernemer
Dit bericht werd geplaatst in Joris Demmink, Marianne Vaatstra. Bookmark de permalink .

8 reacties op Geachte Theo,

  1. Als ik het goed begrijp, is er in Nederland nog tenminste één rechter, die gewetensvol recht spreekt? Zo ja? Gelukkig maar want van de zijde van Justitie, verwacht ik niet veel!

  2. Pingback: Eindtijdsignalen en ander nieuws, verzameld door Arie Goedhart | Silvia's Boinnk!!!

  3. Wim Dankbaar zegt:

    Als we Moszkowicz mogen geloven heeft Maaike tegen hem gezegd: Laat mijn dagboek maar staan op de site van Kat, maar pak wel Dankbaar aan als hij met zijn boek komt!

    Dit komt neer op toestemming voor openbaarmaking van het dagboek. Daarmee werd die openbaarmaking rechtmatig. Als je zeer eenvoudig kunt protesteren tegen openbaarmaking, maar je doet dit bewust en expliciet niet, nota bene met instemming van je cliënt, dan geef je toestemming aan de openbaarmaking. Moszkowicz valt in zijn eigen leugen. Vanaf dat moment was elke procedure tegen mij onrechtmatig.

  4. Transparency zegt:

    Heldere uiteenzetting Wim. Zoals ik eerder schreef en waarvan ik steeds meer overtuigd raak: Justitie houdt je bezig en aan het lijntje met allerlei “drogredenen” en feitelijk onjuiste interpretaties van wetgeving, met aan jou weer de eer dat in hoger beroep te weerleggen. Het echte bedrog van justitie in de aanloop en uitkomst van de moord op Marianne wordt daardoor naar de achtergrond verdrongen. Al je energie gaat zitten in (1) het duidelijk maken van verjaring en verbeuring van dwangsommen en stuitingshandelingen, (2) of Moszkowicz wel de terrechte procesvoerder is van Terpstra, (3) of het citaat recht is geschonden, (4) of er inbreuk is gemaakt op het auteursrecht, (5) de verwerping dat Terpstra zelf mag bepalen wie zij in rechte betrekt in de schending van het auteursrecht, (6) de vordering om alle gedrukte exemplaren te vernietigen etc. Je gaat (terecht) in hoger beroep, in mijn ogen precies wat jusititie wil. Hun strategie is: Hou Dankbaar onbeperkt juridisch bezig zodat hij geen tijd/energie kan ontplooien om de echte toeloop in de moordzaak weg te houden van een breder publiek. Dat doen ze tot nu toe heel goed.

  5. hansjohn zegt:

    Laten we dan maar hopen dat @De Baron en compagnon 1 dezer dagen met hun uiteénzettingen komen.
    En dat de heren en dames vd media over zoveel gezond verstand en rechtvaardigheidsgevoel beschikken, deze uitéénzettingen aan een breed publiek bekend te maken.

    • De dames en de heren van de media daarvan hebben een redelijk aantal een gezond verstand tevens een behoorlijke dosis rechtvaardigheidsgevoel.
      Maar zoals het in de praktijk gaat, bijna niemand in deze beroepsgroep is onafhankelijk en krijgt niet naar buiten wat hun bazen niet past.

      Vandaag radio 1 geluisterd 14.00 -15.00 uur Max v.Weesel, begin dan te denken misschien kan Zembla hier wat openbreken.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s